Zichtbaarheid / onzichtbaarheid / fantoompijn / industrieel erfgoed. Reflecties over arbeid en herinnering in het Belgisch- en Nederlands-Limburgse mijngebied

1. Inleiding

Bodemextractie in de vorm van steenkool is in de twintigste eeuw
in grote mate bepalend geweest voor de welvaart van België en Nederland. Na de sluiting van de mijnen kwam een heuse herin- neringscultuur en -industrie op gang. Het mijnverleden in West- Europa wordt gemusealiseerd, in een mondiale context waarin de zoektocht naar grondstoffen, naar ontginningsplekken en de mijnin- dustrie zelf onverminderd voortgaan.

In deze tekst willen we reflecteren over de plaats van industrieel erfgoed in een vergelijking tussen de mijnregio’s van Belgisch- en Nederlands-Limburg – vlak bij elkaar gelegen maar gescheiden door een staatsgrens – waarvan de geschiedenis voor en na de sluiting en de omgang met erfgoed zowel gemeenschappelijkheden als verschil- len vertonen.

We pendelen daarbij tussen twee observaties. De eerste betreft een waarneming in 2019 vanaf de terril van Beringen. De tweede betreft de tekst van een dichter die de verdwijning van een mijn- berg beschrijf

De onzichtbaarheid van een landschap

Boven op de terril van Beringen-Mijn stappen we op de sintels bin- nen een metalen oxiderende ring waarop je de namen kan aflezen van verschillende Waalse en West-Europese mijnbekkens: Luik, Centre, Borinage (alle drie behorend tot Wallonië), Wales – Kent, Ruhr, Nord-Pas-de-Calais. En rondom zie je de mijnkathedralen en terrils van de Kempen en het Maasland. Zeven mijnen waren hier actief: Beringen, Eisden, Houthalen, Waterschei, Winterslag, Zolder en Zwartberg.

En dan kijken we in de richting van Geleen en Kerkrade. Nederlands- Limburg telde destijds 12 mijnen: 4 staatsmijnen en 8 particuliere. Geen steenbergen aan de horizon en de Nederlandse mijnen staan niet op de ring vermeld.

De verdwijning van een landschap

Wiel Kusters – dichter, essayist, boegbeeld van de Nederlands- Limburgse mijnliteratuur en mijnwerkerszoon – beschrijft op de achterflap van de poëziebundel Het leven op stoomschepen2 de af- graving van een steenberg en drukt daarmee het pijnlijke vervreem- dingsproces uit dat de mijnwerkersgeneratie doormaakte en de fantoompijn die tot op vandaag doorwerkt.

“In Spekholzerheide, waar ‘de God van heel Nederland’ blijkens Nescio’s Dichtertje net zo goed woont als in Surhuisterveen, stond ik op de steenberg van de verdwenen mijn Willem-Sophia. Geen piramide meer, maar een afgeplatte en grotendeels afgegraven zwarte heuvel. Het had gesneeuwd, maar het steenafval was nog op vele plaatsen zichtbaar. Damp en rook: een inwendig brandende en broeiende berg. Sneeuw verdraagt dat niet. Ik keek neer op de huizen, de tuinen, en herinnerde me de berg in zijn oude gedaante, een donker silhouet in het vallende duister. De hoge zwarte boeg van een schip. Het rookte, het zat muur- vast in de aarde. Het kon voor- noch achteruit. De ovens huilden, maar er kwam geen beweging in de schroef. Er was geen schroef.

Toen ik daar stond, op het onderste dek, begreep ik dat het schip onder mijn voeten ondanks alles vertrekkende was. De berg wordt aanhoudend kleiner en verandert van vorm. De rook slaat eraf. Het schip vertrekt in gedeelten. Heb je ooit zo iets gezien?”

2. Verdwijn- en sluitingsprocessen en reconversie: over de verdwijning van een landschap

De ontwikkeling in het begin van de twintigste eeuw van een nieuw en omvangrijk industrieel landschap in een tot dan volstrekt agrarisch landschap en vervolgens de verdwijning van dat nieuwe landschap een driekwart eeuw later: dat is de ontwikkeling van de mijnindustrie in Midden- en Zuid-Nederlands-Limburg. De sluitingen werden afgekondigd in 1965 en afgerond in 1974 en daarna startte de ont- manteling van het mijnlandschap onder het motto ‘van zwart naar groen – gaande van de verdere afbraak van het mijnpatrimonium tot de afgraving van op één na alle steenbergen.

Vandaag kijken we verbaasd naar deze klinisch-precieze uitvoering van de planning, en die indruk wordt nog versterkt wan- neer we dit vergelijken met de latere sluitingsprocessen elders in West-Europa: België, Duitsland, Groot-Brittannië. Wat kunnen de overwegingen zijn geweest voor deze tabula rasa, het opdoeken van de mijnen inclusief het landschap?

De sluiting van de Nederlandse mijnen werd op 17 december 1965 aangekondigd door toenmalig minister van Economische Zaken – en toekomstig premier – Joop den Uyl (PvdA), ondersteund door Frans Dohmen, voorzitter van de Nederlandse Katholieke Mijnwerkersbond (NKMB). De belangrijkste argumen- ten voor de sluiting waren de verslechterde situatie van de steenkool- markt en de vondst van een enorme voorraad aardgas in Slochteren. In 1966 werd begonnen met de afbouw van de eerste mijn, in 1974 sloot de laatste.

In Groot-Brittannië kende men midden jaren zestig het fenomeen van de krimpende steden, zoals dat bijvoorbeeld in Manchester en andere oude industriebekkens plaatsvond, waar een verlaten industrieel wasteland achterbleef. We kunnen ons voorstellen dat de Nederlandse overheid dergelijke situaties wilde vermijden.

Maar hoe zat het toen met de opinie van de eerste betrokkenen, de lokale bevolking? Wij gaan ervan uit dat het verzet in de eerste plaats het verlies van de arbeidsplaats betrof en de zorg voor inkomen en ander werk voorrang kreeg op de bekommernis om de mijninfrastructuur. Uit krantenarchieven weten we dat de beleving aanvan- kelijk meerduidig was: zowel opluchting als consternatie over het verdwijnen kwamen voor, en alleszins ontstonden er actiegroepen die – tevergeefs – hebben gepleit voor behoud. Die aanvankelijke fantoompijn – cfr. de tekst van Wiel Kusters – heeft zich sindsdien omgezet in een besef van historisch gemis, tegelijk met de gedachte dat binnen de context van waardering van industrieel erfgoed een andere aanpak mogelijk zou zijn geweest.

Een belangrijke tekst uit die tijd (roerend erfgoed!) is‘De Carboon- kolonisatie’ (1974)3, waarin Nic. Tummers4 de inrichting en de af- braak van de mijnstreek met al zijn ruimtelijke, architecturale, sociale en maatschappelijke implicaties in beeld brengt. Uit de inleiding: ‘Naast gegevens over kapitaal en arbeid in de mijnbouw dienen visu- ele waarnemingen als middel om een ingang te vinden in de vraag- stukken van de geschiedenis. Het levert een kijk op van anti-stedelijke kolonialen die streefden naar kapitaalvergaring en naar de vestiging van een fataal schoonheidsbeeld in een arcadische utopie.’

Hoogstwaarschijnlijk was het beperkte resultaat van het verzet mede verklaarbaar doordat de bedrijfsgebouwen op dat moment nog niet als waardevol erfgoed werden beschouwd – niet door de brede opi- nie en evenmin door de erfgoedsector en de experts zelf, die toen een ander soort gebouwen als belangrijk aanzagen. Dat men met andere woorden noch vanuit het ruimtelijke stedenbouwkundige planolo- gische paradigma van het modernisme noch vanuit het paradigma van erfgoed problemen had met de verdwijning. Het tijdsaspect speelt dus een rol: de mijnen openden begin twintigste eeuw en de infrastructuur was op het ogenblik van de sluiting iets ouder dan een halve eeuw. Toen had mijnpatrimonium in het algemeen nog niet het aura van erfgoed.

 

Hier rijst in twee opzichten de vraag van de kritische massa. In de zin van publieke kritische massa: hoe groot dient het publieke draag- vlak te zijn opdat potentieel erfgoedpatrimonium effectief behouden blijft? En op een ander vlak: hoeveel onroerend erfgoed, hoeveel minimale materiële tastbaarheid is nodig als voeding voor collectieve herinnering, voor een collectief bewustzijn?

De afwezigheid en onzichtbaarheid van mijngeschiedenis en mijn- gebouwen in Nederlands-Limburg zijn tegengesteld aan de situatie in Belgisch-Limburg, waar die geschiedenis en gebouwen samen met de terrils de elementen zijn van een nieuwe, postindustriële identiteitsconstructie van de provincie. Om terug te keren naar de observatie vanop de terril van Beringen-Mijn: het is zeer waarschijn- lijk dat de niet-vermelding van de Nederlands-Limburgse mijnen is ingegeven door de gedachte dat daar vandaag niets meer van te zien valt. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de historische betekenis en de doorwerking van de mijnen tot op vandaag. De niet-vermelding betreft dus geen vergetelheid, geen foutje. Visuele onzichtbaarheid voedt historische onzichtbaarheid. Die vaststelling maakt de niet-vermelding van het Nederlandse mijngebied boven op de terril van Beringen tot een uitermate polemisch feit.

Dit is het bevreemdende wanneer je door het Nederlands- Limburgse landschap rijdt: je krijgt geen indicatie van een mijnver- leden, je voelt het niet, je ziet het niet. Onzichtbaarheid. De voor- bije geschiedenis als een moderne leegte. Doordat de geschiedenis is weggeveegd zou je dit landschap ‘plaatsloos’ kunnen noemen; het is precies door het omzetten van ‘zwart naar groen’ – wat toch het beeld oproept van het herstel van het landschap na de mijnen, als van een wonde – dat het landschap ‘inauthentiek’ wordt.5

Ook in Heerlen ontbreken mijnindicaties, althans op het eer- ste gezicht, maar bij nader toezien zie je dat Heerlen een opmerkelijke schaal heeft. De Stadsschouwburg (vandaag Theater Heerlen) met zijn overmaatse plein en het modernistische Schunk (het Glaspaleis) ver- wijzen naar een verleden waarin Heerlen een bepaald belang heeft ge- had. En meer aan de rand van de stad vind je zelfs enkele rechtstreekse mijngetuigenissen zoals het oude schachtgebouw en de kolonie.

3 Zelfbeelden en gemeenplaatsen over reconversie en erfgoedbehoud

Nederland

Het behoort tot de hardnekkige, haast onuitroeibare gemeenplaat- sen aan de Belgische zijde van de staatsgrens dat in Nederlands- Limburg ongeveer alles is afgebroken, maar de reconversie6 daar
wel is gelukt. Het zou zeer nuttig zijn om te onderzoeken hoe die waarheidsconstructie omtrent de geslaagde reconversie werd op- gezet en gevoed door de overheid en administraties, en wie daar ver- der actief aan deelnam. In Nederland zullen weinigen die idee van een geslaagde reconversie onderschrijven, de stelling vraagt op zijn minst om nuancering.

Een belangrijk gegeven in het besluit tot sluiting van de Nederlandse mijnen was de hoge economische conjunctuur waarin Europa op
dat ogenblik zat en dat gold uitdrukkelijk voor Nederland, dat een hogere jaarlijkse economische groei kende. Vanuit de optiek van de overheid was dat een moment waarop ze een zo ingrijpende beslissing kon nemen om de mijnen af te bouwen en tot reconversie over te gaan. Temeer omdat op middellange termijn de afname van steen- kool alleen maar sterker zou worden. De afname van het belang van steenkool gaat terug tot in de jaren ’20-’30 van de vorige eeuw, toen het aandeel van steenkool in de energieproductie en -consumptie in West-Europa begon af te nemen. Met de ontdekking van gas in Slochteren verwierf Nederland bovendien een soort strategische au- tonomie, en daarnaast was er het feit dat op dat ogenblik ook de olie- prijzen nog zeer laag waren. We kunnen ons voorstellen dat binnen een dergelijke context de Nederlandse overheid een soort goodwill voor de sluitingen kon creëren bij de publieke opinie.

Begin jaren zeventig kregen de westerse economieën zware klappen. Enerzijds was er gaandeweg het structurele banenverlies door automatisering en delokalisering en anderzijds hadden we te maken met een periode van laagconjunctuur, met gecombineerd een groeiende werkloosheid tot gevolg. Dat is uiteraard een periode waarin het zeer moeilijk is om een reconversie succesvol door te voeren. Het ant- woord op de vraag of de reconversie is gelukt, is dus genuanceerd.7

De uitdaging was enorm: een model bestaande uit een groep van grote bedrijven in eenzelfde, dominante sector met enorm veel werknemers heroriënteren naar een meer op diensteneconomie en kleinere bedrijven gestoeld model. Het is tot op de dag van vandaag het probleem waarmee Wallonië met zijn gecombineerd verleden van steenkool- en metaalindustrie heel uitgesproken blijft worstelen.

België

Het zelfbeeld over de reconversie na de mijnsluitingen in België is
er een van trial-and-error. De Belgische mijnen situeerden zich in Belgisch-Limburg en in Wallonië. De oorsprong van de Waalse mij- nen ligt in de negentiende eeuw of eerder; ze bestonden overwegend uit talrijke kleine mijnen, niet vergelijkbaar met de grote mijnen in Limburg. Het infrastructurele verschil tussen Limburg en Wallonië is uitgesproken. In de jongere Limburgse mijnen besteedden patro- naat en kerk veel zorg aan de reproductie van de arbeidskracht, die met name gestalte kreeg in cités en hun omkadering. In het ruimte- lijk rommelige Vlaanderen met zijn sterke hang naar privéwoonbezit zijn die cités, met hun woningen, scholen, plantsoenen en voorzie- ningen, tot op vandaag een toonbeeld van ruimtelijke ensembles.

Aanvankelijk wilde de Belgische regering om dezelfde redenen als Nederland midden jaren zestig de Limburgse en Waalse mijnen sluiten. België had geen reconversieplan. Om meerdere redenen was vooraf duidelijk dat dit een bijzondere complexe uitdaging zou worden, complexer dan in Nederland. Wallonië telde tientallen overwegend kleine verouderde mijnen en daartegenover stonden de jongere productievere mijnen van Limburg; er was de ‘wafelijzer- politiek’8 en België had geen deus ex machina zoals de ontdekking van gas in Slochteren-Groningen dat voor de Nederlandse regering was. Bovendien had België een veel sterkere vakbondstraditie dan Nederland, en dan vooral in de Waalse industrie.

Uiteindelijk verliep het sluitingsproces over een periode van 26 jaar (1966-1992).‘Het drama van Zwartberg’ speelde daarin een sleutelrol. De regering wilde deze relatief jonge en modern uitgeruste mijn als eer- ste sluiten. Het ging om naakte ontslagen.9 Bij het protest dat volgde na de bekendmaking vielen op 31 januari 1966 twee doden en een derde slachtoffer raakte zwaargewond met blijvende invaliditeit tot gevolg.

De regering wilde absoluut een tweede drama van Zwartberg voorkomen en dat gegeven, samen met onder meer het ontbreken van een reconversieplan en met de Akkoorden van Zwartberg tussen vakbonden, regering en patronaat waarin werd vast- gelegd dat er er geen Limburgse mijnen meer zouden sluiten vooral- eer er voor vervangende werkgelegenheid was gezorgd, hebben tot de lange sluitingstijd geleid. Uiteindelijk hebben allerlei uitstapregelingen het sluitingsproces bevorderd.

Van begin jaren zestig tot aan de sluiting in 2014 is Ford-Genk be- langrijk geweest voor de werkgelegenheid en reconversie in Limburg. Die rol is vergelijkbaar met die van DAF-Born (vanaf 1969) in Nederlands-Limburg. De auto-industrie gold als grootste nieuwe werkgever en element van de reconversie in de beide Limburgen.

In 1994 werd de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) op- gericht als opvolger van de NV Kempische Steenkoolmijnen (KS),die na de sluiting van de zeven Kempense mijnzetels instond voor

de reconversie van de provincie Limburg. De opdracht van LRM
was kapitaal in starters, (groei)bedrijven, economische projecten
en de ontwikkeling van industriegronden in Limburg investeren. Logistiek en toerisme zijn de accenten van een nieuw beleid, maar tot vandaag telt de provincie Limburg het laagste gemiddeld inkomen in Vlaanderen en scoort het onder het nationaal gemiddelde.

Tot op vandaag heeft Wallonië geen antwoord op de economische recessie ten gevolge van de sluiting van de mijnen en de staalindus- trie. Met name de situatie in Le Centre (Charleroi) en Le Borinage (Mons) is deplorabel. Wanneer je daar komt, stap je in een verleden van verlaten industriële gebouwen die de status van industrieel erf- goed niet heeft bereikt.

In Nederland is de gangbare mening dat in Belgisch-Limburg veel mijnpatrimonium werd behouden. In Belgisch-Limburg zegt men dat er veel is afgebroken. De afbraakwerken startten na de sluitingen, maar werden tegelijk vertraagd vanwege politieke besluiteloosheid: het gebrek aan visie over herbestemming van de gronden. In de con- text waarin het voormalige industriële Ruhrgebied Emscher Park vanaf einde jaren tachtig naam begon te maken, groeide in Limburg – niet het minst bij lokale besturen, erfgoedverenigingen, actiegroepen en de erfgoedsector – het bewustzijn over het belang van het mijnpatrimonium als industrieel erfgoed. In alle mijnzetels – met uitzondering van Zwartberg – is het patrimonium in meerdere of mindere mate bewaard. Nieuwe bedrijvigheid – bedrijven, cultuur, onderwijs, bezoekerscentra – heeft zich geconsolideerd in de ver- schillende mijnzetels.

Tegelijk is het debat over de relatie tussen mijncultuur en indus- triecultuur nog volop in gang. Dat werd enkele jaren geleden zeer duidelijk toen de directie van Beringen-Mijn – de grootste mijnsite – bekendmaakte dat de kolenwasserij zou worden afgebroken om plaats te maken voor hotel- en leisurefuncties. Dit leidde tot mas- sale reacties, zowel lokaal als internationaal. Ex-mijnwerkers die we interviewden zeiden dat ‘ons opnieuw [na de sluiting, ms] iets wordt afgenomen’. Inmiddels is de directie van het plan afgestapt en blijft de kolenwasserij behouden. Tegelijk blijven de ontwikkeling van mijncultuur – door het aangaan van samenwerking met lokale ver- enigingen en andere actoren – en ook het zoeken naar bestuurlijke constructies met lokale verankering belangrijke uitdagingen.

Nederland en België: Terrils – Mijnbergen

Vanuit een Belgische optiek zou je kunnen stellen dat Nederlands- Limburg met lege handen achterblijft. Dat ze door de verdwijning van het mijnlandschap zich buiten de ranking van de Noord- Europese mijnregio’s heeft geplaatst, of sterker nog: dat ze zich buiten de mijngeschiedenis heeft geplaatst.‘In Nederlands-Limburg is van de mijnen niets overgebleven’ is een uitspraak die klopt voor zover het de materiële verdwijning van de mijnen betreft.

In een kwarteeuw verschijnt en verdwijnt een landschap. Men kan zich de vraag stellen waar de gigantische afvalbergen naar- toe zijn. Bekijk de wegenkaart van Nederlands-Midden- en Zuid- Limburg en het valt op hoe het wegennet na de sluitingen werd verdicht. Een deel van het puin werd aangewend bij de aanleg van nieuwe wegen.

Aan de Belgische kant geven de terrils reliëf aan het Maasland en het voorheen vlakke land van de Kempen. Samen met de cités en het mijnpatrimonium zorgen ze een nieuwe identiteit
– voor wellness, toerisme, voor wat heet erfgoedbeleving, een mijn- cultuurindustrie.

4 De periferie – het onbestaande land – inlandse kolonisering – het verlaten land

De sluiting van de mijnen en de opvolging ervan verliep anders in Nederland en België. Het aanzicht is anders en de exploitatiemoge- lijkheden van erfgoed zijn anders. Tegelijk zijn de overeenkomsten talrijk, en dat gold en geldt niet het minst voor het perifere karakter van beide provincies.

De situatie van de Belgisch- en Nederlands-Limburgse mijnen is alleszins in één opzicht niet vergelijkbaar met die van de Waalse mijnen. Die kwamen met uitzondering van Luxemburg in
alle provincies voor. In de grote industriële centra Charleroi en Luik en in Luxemburg was een indrukwekkende staalindustrie ontwikkeld, en de grondstof daarvoor werd via het spoor vanuit de mijnen aangele- verd. In de 20ste eeuw zal blijken dat deze sterkte, deze wederzijdse afhankelijkheid zal leiden tot de instorting van de Waalse economie – een situatie waarvoor tot op vandaag het antwoord uitblijft.

De situatie van Belgisch- en Nederlands-Limburg is on- derling vergelijkbaar in die zin dat beide provincies tot aan het begin van de mijnen tot de meest perifere en armste gebieden van resp. België en Nederland behoorden, agrarische gebieden waarin nauwelijks sprake was van industrialisatie (de tegelfabrieken in Maastricht en de zinkfabrieken van Overpelt als belangrijkste uitzonderingen op de regel) en met een bevolking die een uitgesproken lage scholings- graad had.

Toen met de mijnen de eerste omvangrijke economische bedrijvigheid op gang kwam, beperkte die zich tot de winning van grondstoffen, die exclusief naar verwerkende industrieën in andere regio’s werden geëxporteerd, waardoor de betrokken regio perifeer bleef en de afhankelijkheid van de aanwezige industrie vergrootte. Het is vergelijkbaar met de derde wereld, waar wezenlijk geen productie plaatsvond op het ogenblik van de industriële winningsactiviteit.

Het ontbreken van een verwerkende industrie in de eigen regio is in die zin voor de beide mijngebieden funest gebleken. Na de sluiting volgde voor zowel Nederlands- als Belgisch-Limburg de im- passe. Beide provincies deelden en delen het gevoel na exploitatie in de steek te zijn gelaten, door zeg maar de verdwijning van kapitaal.

‘Kolonisatie’ was inderdaad het concept voor het proces dat hier plaatsvond: een kolonisatie die net als de uitheemse verbon- den is met grondstoffen. De associatie met buitenlandse kolonies valt heel letterlijk te nemen. Op het ogenblik dat de mijnen werden op- gezet, had men elders al ervaring opgedaan in het uitvoeren van een dergelijk groot project.‘ Dokters en ingenieurs zetten hun ervaringen in Belgisch-Congo vervolgens in voor de Belgische mijnen.

Overigens heeft de associatie tussen de kolonisatiepolitiek in Congo en Belgisch-Limburg zich ook taalkundig in de Limburgse bevolking vastgezet. In Vlaanderen spreekt men in de omgangstaal doorgaans over ‘de Congo’. Wanneer je – in alle onschuld – als niet-Limburger vraagt: ‘En, hoe is het in de Limburg?’ dan is de kans groot dat je dat niet in dank wordt afgenomen door degene die tegenover je staat. Het geeft wel aan hoe diep het gevoel van achter- stelling in de geesten zit. Het gevoel van achterstelling dat reeds van vóór de mijnen bestond, verdween tijdens en na de mijnen niet en weerspiegelt de reële achterstelling zoals die tot op vandaag bestaat.

Er blijft, althans aan de Belgische kant, sprake van een kloof tus- sen Limburg en de rest. Het valt bijvoorbeeld op dat de Belgisch- Limburgse mijngeschiedenis in de Vlaamse literatuur – proza, poëzie – zo goed als geen spoor heeft achtergelaten. Nogal wat Nederlandse schrijvers hebben de metaforische rijkdom van het hele mijngebeuren aangewend in hun werk. Wiel Kusters citeert en be- spreekt een aantal onder hen in ‘Het mijnmuseum’(1981) en de titel van een publicatie met portretten van schrijvers met Nederlands- Limburgse roots zegt veel over de perifere positie van de provincie: ‘Ik kom toch uit geen gekkenland vandaan!’ (1983).

Die afwezigheid van mijngeschiedenis betreft niet alleen de Belgisch-Limburgse literatuur, maar ook de cinema, bijvoorbeeld documentaires. Dit ligt anders in Wallonië, waar een mijnliteratuur bestaat, met als boegbeeld Constant Malva (1903-1969), een communistische schrijver en mijnwerker. Die is in Wallonië heel bekend, maar in Vlaanderen volslagen onbekend – ter indicatie daarvan: pas in 2023, na tachtig jaar, werd zijn werk voor het eerst ver- taald.10 Hetzelfde – bekend in Wallonië, onbekend in Vlaanderen – geldt voor de communistische documentairemaker Paul Meyer (1920-2007).11 Er loopt een sterke politiek-culturele grens tussen Vlaanderen en Wallonië.

5 Interactie tussen erfgoed en samenleving

Lange tijd is erfgoed een vrij geïsoleerde sector binnen de samenle- ving geweest, de sector van experten die een materiële cultuur – in het geval van de mijnen: gebouwen – beoordelen op architectu-
rale kwaliteiten, op beeldkwaliteit en dergelijke. En eventueel op hun rol in de grote geschiedenis, de geschiedenis van belangrijke gebeur- tenissen. Die situatie, waarbij erfgoed een geïsoleerde sector was met zijn eigen experten, paradigma’s en waardekaders, duurde internationaal tot 1970. Daarna veranderde de rol van erfgoed binnen de samenleving geleidelijk en werd die veel meer geschakeerd.

Vanaf dan werd erfgoed ook een ruimtelijke factor bij stedelijke regeneratie en voor duurzame ontwikkeling, waarbij de stedelijke overheid de regie opnam. Tegelijk werd de rol van de markt in de profilering van de steden belangrijker. Je kreeg fenomenen zoals city marketing en place branding, waarbij the sense of place medeverant- woordelijk was voor het vestigingsklimaat en waarbij de ‘authenticiteit’ als verkoopargument gold en een belangrijke factor werd bij het aantrekken van investeringen.

De rol van de erfgoedsector werd complexer, het aantal stakeholders en belanghebbenden nam sterk toe en werd veel minder sectorspeci- fiek. Al die stakeholders hadden ook een eigen kijk op erfgoed, hun eigen belangen en agenda’s, waardoor bestemming van erfgoed een bijzonder complex onderhandelingsproces werd. Pioniers die jaren- lang hadden gepleit voor erfgoed in een no man’s land, moesten zich een plaats zien te verwerven in dit overbezette belangenveld.

Er moet een opbrengstmodel worden gecreëerd en waaruit de opbrengst bestaat, verschilt dan weer tussen de actoren. Het kan bijvoorbeeld de culturele meerwaarde voor het collectief zijn. De waardekaders zijn verschillend. Met waarden die soms makkelijker, soms moeilijker te kwantificeren zijn. De waardekaders moeten met elkaar worden verrekend. Cultuurindustrie en industriecultuur staan vaak op gespannen voet.

De Franse filosoof en socioloog Henri Lefebvre (1991) toonde al in de jaren 1970 dat ruimte niet alleen gemaakt wordt door experten (architecten, stedenbouwkundigen e.d.) maar evenzeer het resultaat is van dagelijkse, in vele gevallen terloopse en niet op ruimte per se gerichte handelingen van iedereen. Met erfgoed is iets gelijkaardigs aan de hand. De benadering laat openingen toe om ook het perspec- tief van gebruikers en belangstellenden mee te wegen. De erfgoed- sector stelt zich open voor waarden die minder expert-georiënteerd zijn. Met de accentverschuiving in erfgoed wordt het belang van de herinneringswaarde en het verhalend vermogen extra beklemtoond. Dit leidt tot interdisciplinaire kennisproductie en participatie – wat in principe ook kan binnen de constellatie van een museum. Onderzoek gericht of gebaseerd op belangrijke prominente personen en belangrijke gebeurtenissen kan evolueren naar onderzoek vanuit een brede sociale kijk op de geschiedenis. De geschiedenis van wat je zou kunnen zeggen: het volk.

Om een breder publiek te bereiken en inzicht in erfgoed te geven, gaan erfgoedprofessionals op zoek naar andere toegangswegen. Er zijn verschillende manieren om erfgoed te ontsluiten. Er is de heel expliciete manier waarbij iets heel duidelijk als erfgoed wordt be- noemd en centraal gesteld. Maar je hebt ook andere toepassingen van erfgoedontsluiting die eerder impliciet zijn, waarbij je bijvoor- beeld een bibliotheek onderbrengt in een oud klooster of een ge- meenschaps- en kunstencentrum in een kerkgebouw. Het gaat om gastvrije bestemmingen op middellange of lange termijn. Het zijn die plaatsen – vrijplaatsen – waarbij we buiten de erg dominerende economische en financiële waarden, kaders of frames kunnen staan, waar er dus plaats is voor nieuwe narratieven, die zich niet laten in- schrijven in de bestaande. Een plaats voor kunstenaars bijvoorbeeld, die er kunnen creëren los van de markt, los van kunstmanifestaties waar kunstenaars zich a priori inschrijven in het neoliberale model en hun narratieven op voorhand worden geneutraliseerd.

 

1 Mijnberg en terril hebben dezelfde betekenis. Een berg van niet gebruikte steenkool of steenafval. In Nederland kent met het woord terril niet, terwijl het in Vlaanderen gebruikelijk is. Hetzelfde geldt voor cité (Vlaanderen) en kolonie (Nederland): Een cité is een woonwijk die speciaal in de buurt van de mijnzetels werd opgetrokken voor de huisvesting van mijnwerkers, een vorm van een fabrieksnederzetting.

2 Wiel Kusters, Het leven op stoomschepen, Querido, 1986

3 Nic. H. M. Tummers,‘De Carboonkolonisatie’, in: wonen-TA/BK – tijdschrift voor huisvesting en omgeving, juni 1974.

4 Nicolaas Hendrik Marie (Nic.) Tummers (Heerlen, 5 februari 1928 – Sittard- Geleen, 24 april 2020) was een Nederlands beeldhouwer, architect, architectuurcri- ticus, politicus. Hij stond bekend als vurig pleitbezorger van de ‘socio-ruimte’, een interdisciplinaire benadering van beeldende kunst, architectuur en stedenbouw midden in de samenleving. Inhoudelijk richtte zijn engagement zich al vanaf het begin op Heerlen als centrum van de mijnstreek. Hij pleitte in een zeer vroeg sta- dium voor behoud en herinrichting van het mijnlandschap als cultureel erfgoed. In de jaren 90 zette hij zich in voor het behoud van Schunk – het Glaspaleis (1935).

5 Cfr. cultureel geograaf Edward Relph, antropoloog Marc Augé.

6 Reconversie verwijst naar reconversieplan: verbonden met de afbouw van een industrietak of de sluiting van een groot bedrijf en waarbij vervangende werkgele- genheid in het vooruitzicht wordt gesteld.

7 Door de sluitingen vielen 45.000 directe en 30.000 indirecte werkplaatsen weg. In 1974 hadden inmiddels 7500 ex-mijnwerkers, via een herscholingstraject, een an- der beroep geleerd. Ongeveer 37% was via pensioen of overlijden afgevloeid. Ruim 46% was buiten het reguliere arbeidsproces geplaatst via een overbruggingsregeling of de sociale werkvoorziening. https://nl.wikipedia.org/wiki/Mijnsluiting_in_ Limburg_(Nederland).

8 Een budgetteringsmethode in de Belgische politiek tot ongeveer 1988
voor het toewijzen van gelden voor grote projecten in de twee landsde-
len, Vlaanderen en Wallonië, en dat gold ook voor de financiering van sluitingen en reconversie.

9 ‘Naakt ontslag’ hoort in Vlaanderen tot de standaardtaal. Een naakt ont-
slag of gedwongen ontslag is een ontslag zonder financiële of materiële vergoeding.

10 Constant Malva, Ma nuit, le jour au jour (1953) / Mijn nacht, dag na dag – vert. Willy Van Poucke, uitg. Industriemuseum Gent, 2023.

11 Het bekendste werk van Paul Meyer is Déjà s’envole la fleur maigre (1960)