Het olieveld

Introductie

Vanaf haar allereerste dag op de middelbare school viel Fereshteh iedere nacht in slaap terwijl ze zich voorstelde hoe ze over een paar jaar door de poort van de Universiteit van Teheran zou stappen. De witgepleisterde bogen, die trots bleven staan ondanks de tand des tijds, getuigden van een periode waarin onderwijs gelijkstond aan transformatie. Deze bogen zouden haar verwelkomen op de plek die aan de wieg van alle politieke omwentelingen stond. De talloze nachten waarin ze voor het universiteitstoelatingsexamen studeerde zou ze vergeten zodra ze door die bogen stapte, en eindelijk verlost zou zijn van haar ouderlijk huis.

In de zeldzame nachten waarin haar vader laat opbleef om achter de rug van haar moeder een sigaret te roken, vertelde hij over de vergaderingen en demonstraties die studenten tijdens de revolutie van 1979 op de binnenplaats van de universiteit hielden: maoïsten, marxisten, communisten, trotskisten, islamisten, en degenen die het marxisme – ondanks al dat gedoe rond opium en religie – hoe dan ook wilden verzoenen met de sji’itische islam. Elke keer stopte hij na zijn voorlaatste trek met vertellen, telkens in het midden van een zin. Haar moeder, een stuk jonger, sprak enkel over de onderdrukking die volgde. Hoe het nieuwe regime studenten uit de weg ruimde omdat ze zich tegen het bewind keerden of simpelweg omdat ze vóór de revolutie een spijkerbroek of rokje hadden gedragen. Altijd dezelfde anekdotes, want tussen de soep en de patatten was er niet veel over van moeders geheugen.

In tegenstelling tot haar moeder had Fereshteh hoop. De Iran-Irakoorlog lag achter hen en de bloedige jaren tachtig hadden plaatsgemaakt voor een periode van hervormingen. Het beleid van President Khatami (1997–2005), dat sociaal en politiek engagement, een vrije pers en culturele hervormingen enigszins toestond, zorgde er onder andere voor dat meer vrouwen naar de universiteit konden. Het waren nog steeds klootzakken, die mannen met macht, of het nu reformisten waren of conservatieven, en de maatschappij vergeet dat nooit, maar eens in de zoveel tijd besluit ze een doek te leggen over haar wonden. Ondertussen was het 2009 en de verkiezingen gaven mensen als Fereshteh hoop op verandering.

In de aanloop naar de verkiezingen sloot ze zich aan bij een groep die vakbonden met de studentenbeweging verenigde. Toen de demonstraties begonnen, werd ze als een van de eersten opgepakt en naar de Evin-gevangenis gebracht. Eenmaal vrijgelaten, mocht ze van het regime niet meer studeren. De witgepleisterde bogen hadden haar in de schoot van het regime gespuwd, om haar nooit meer welkom te heten. Emigratie verdween eveneens van de tafel toen ze haar paspoort afpakten. Wat nog wel kon: zwartwerken in een café, lezen, schrijven en samenkomen met anderen in dezelfde situatie. Bij elke protestbeweging die na 2009 volgde, arresteerde het regime haar en sloot haar op in Evin.

De periodes buiten Evin bracht ze vooral door in huiskamers en auto’s. Als de straten van de stad je uitsluiten, kunnen deze ruimtes transformeren tot alles wat je nog nodig hebt: vergaderzaal van een vakbond, klaslokaal, uitgeverij, pers, bibliotheek, atelier en café waar muziek en arak werden binnengesmokkeld om te dansen, discussiëren, eten en, ook al is het maar voor even, te vergeten – tot agenten het stopzetten. Het was niet revolutionair; het was wachten; het enige wat ze konden.

Jarenlang leefde Fereshteh zowel binnen als buiten Evin. Tot het regime, na de Aban-opstand van 2019, besloot haar niet meer vrij te laten. Evin werd haar enige thuis. Haar cel deelde ze met andere politieke gevangenen, voor wie de kamer net als al die andere in het land een plek was om in te zitten, dansen, eten en schreeuwen – tot er iets gebeurt.

Ze kan niet met zekerheid zeggen op welke dag of op welk moment het gebeurde. Zo is het nu eenmaal in de gevangenis; net als in ballingschap komen de dingen later aan: eerst als rimpelingen en dan als een aardbeving. Ergens in september 2022 haalden haar medegevangen een telefoon onder een kussen vandaan; ze keken hoe de beelden binnenstroomden. Fereshtehs uitgemergelde lichaam wurmde zich tussen dat van de andere vrouwen. Ze zag een studente op de poort van de Universiteit van Teheran klimmen en haar hoofddoek in brand steken, zwaaiend als een vlag – één seconde voordat de bewaker de telefoon afpakte en iedereen die had gekeken, gestraft werd.

Daar, in de afgesloten toren die vanuit Noord-Teheran over de stad uitkijkt, symboliseerde dat ene beeld de revolutie – een revolutie die zich onder hun voeten afspeelde, maar die voor de gevangenen onbereikbaar bleef. Fereshteh dacht aan alle kamers, auto’s en straten waarin ze haar tijd had gesleten. Aan de teleurgestelde gezichten van haar vrienden, de tranen van haar ouders, de sigaretten, arak en drugs die de pijn hoorden te verzachten, maar al snel hun magie verloren. Ze dacht aan de zeldzame momenten tijdens de demonstraties waarop ze zich omringd voelde door een zee van mensen die het wachten ook zat waren. De momenten waarop iedereen uit hun kamers kwam en de straten eindelijk van hen waren. Ze dacht aan de eindeloze vergaderingen, de koortsige demonstraties en de vrienden die noodgedwongen het land verlieten. Aan de mannen die haar vertelden dat het haar niet zou lukken, dat het voor haar gevaarlijker was dan voor anderen, dat ze het niet mocht. En aan alle keren dat ze gedwongen werd dat verdomde doek op haar hoofd te dragen.

En dan dacht ze aan de studente aan de poort van de Universiteit van Teheran, met haar haren en verbrande hoofddoek – de belichaming van het onmogelijke. In het isolement van Evin hunkerde ze naar meer van zulke beelden, meer bewijs dat wat zo lang onmogelijk leek, nu eindelijk gebeurde. De drang om meer beelden van de Jina-demonstraties te zien, maar ook zelf op straat te zijn, vrat haar en haar medegevangenen op. Om te weten wat er in de buitenwereld gebeurde, waren zij afhankelijk van de nieuwkomers. De deuren van Evin stroomden al snel vol met nieuwe getuigen die, eens opgesloten, hun verhalen deelden.

Die verhalen, meegebracht naar Evin als souvenirs van de demonstraties, samen met de verhalen van degenen voor wie de gevangenis al jaren hun enige thuis is, vormen het fundament van Het olieveld, een poppentheater dat op 21 november 2022 werd geschreven en opgevoerd door en voor vrouwelijke politieke gevangenen, zoals het fictieve personage Fereshteh, in Evin. Ze voerden het stuk maar één keer op. Daarna smokkelden gevangenen het script naar buiten en publiceerden het online. De enigen die het theaterstuk hebben gezien, zijn de makers in Evin.

Het olieveld ontstond in de nasleep van de studentenstakingen die kort na het begin van de Jina-demonstraties plaatsvonden. De gevangenen droegen het op aan Saeed Zeinali, één van de vele studenten die tijdens de bloedige protesten van 1999 werden opgesloten in Evin, om kort daarna te verdwijnen. Alle gevangenen droegen bij aan Het olieveld: een iemand kleedde de poppen, een ander maakte van haar eigen lokken het haar. Eén van de gevangenen smokkelde gebakjes binnen, anderen schreven en speelden het stuk. De makers kwamen uit verschillende politieke partijen en ideologische stromingen: milieuactivisten, feministen, arbeiders, kunstenaars, schrijvers, monarchisten, communisten, studenten, liberalen, linksen en hervormers, die in een zeldzaam moment de handen ineensloegen. Wat hen verenigde, was de drang om de afstand te overbruggen tussen henzelf en de straten waarvan ze waren afgesneden, maar ook om vast te leggen wat zij zelf ooit hadden ervaren – de reden voor hun isolement, hun straf – en dat te verbinden aan het politieke landschap.

In aanloop naar de uitvoering maakte de groep posters om alle andere gevangenen uit te nodigen. Een uur voordat het theater begon, verzamelde iedereen zich in de kantine, met plastic stoelen in een halve cirkel rond een geïmproviseerd poppentheater van tafels en zwarte chadors (hijabs die het hele lichaam bedekken, behalve handen, voeten en gezicht). Zo begon Het olieveld, onder het zicht van de talrijke bewakingscamera’s in Evin. De onderstaande tekst is de eerste vertaling van twee scènes uit dit stuk vanuit het Perzisch naar het Nederlands. De eerste speelt zich af tijdens de hervormingen van Khatami, de tweede aan het begin van de Jina-demonstraties. Beide scènes vatten samen wat de Jina-demonstraties, na meer dan veertig jaar onderdrukking door het Iraanse regime, eindelijk mogelijk maakten. Ze tonen aan dat de beweging begon met een vonk van gegenderd geweld, maar al snel ontvlamde in een nationale opstand tegen een regime waarvan het geweld zich afspeelt op de kruispunten van gender, ras en klasse.

 

Het olieveld

(voor gordijn)
(Er komt licht. De eerste pop verschijnt op het podium en kijkt naar het publiek.)

Saeed:
Hallo vrienden.
We zijn blij dat jullie vanavond bij ons zijn. Ook wij zijn altijd bij jullie – tussen de geraniums in de tuin, tijdens het zingen van liederen, tijdens de ondervragingen, op de binnenplaats van de universiteit, en zelfs op straat. Van Sistan tot Kurdistan, van Oost tot West, van Noord tot Zuid: dit theater is de weerspiegeling van onze levens.

(De pop verdwijnt.)

Eerste gordijn/eerste scène

Saeed:
Mevrouw Alizadeh, ik zweer bij God dat dit voor uw eigen bestwil is. We hebben het hier al meerdere keren over gehad. Ik weet niet wat ik nog tegen u kan zeggen.

Fereshteh:
Je hoeft helemaal niets te zeggen. Je moet alleen weten dat ik geen “zuster, aan de kant” zal accepteren. Het is alles of niets.

Saeed:
Maar het zijn haast wilde dieren. Wilde dieren, zeg ik u. We moeten jullie beschermen, nietwaar?

Fereshteh:
Er is toch geen verschil tussen jongens en meisjes? We zijn allemaal studenten. We zorgen allemaal voor elkaars veiligheid. Hoe verschillen we dan nog van hen als we dat niet zouden doen? Voor hen zijn vrouwen niets meer dan decoratie. Als jullie dezelfde visie hebben, zeg het dan nu, zodat we tenminste weten waar we staan.

Saeed:
Zeg dat toch niet… (stil, met schaamte) Jullie staan zij aan zij met ons… (korte stilte) maar ik zweer bij God, jullie hebben geen idee wat ze doen in die detentiecentra.

Fereshteh:
We zijn het zat om zogenaamde beschermers te hebben. Hoelang zullen we gereduceerd blijven tot vrouwen die rouwen om hun broers en vaders die wél mochten meedoen? Wij kunnen eindelijk zelf de strijd aangaan.

Saeed:
(onder zijn lippen, heel stil) Wie dat niet inziet moet zich schamen.

Fereshteh:
Het is duidelijk dat je je nog niet helemaal hebt neergelegd bij hoe de dingen nu zijn. (met ironische toon) Wees niet te streng voor jezelf. Binnenkort zijn jullie allemaal de aanwezigheid van meisjes bij demonstraties gewoon. Wie weet zijn wij meisjes over een paar jaar misschien wel met meer dan jullie. Wanneer de agenten van het regime ons aanvallen, zullen wij dan roepen: “Aan de kant, broeder, zodat ze je geen pijn doen.” (lacht)

Saeed:
(tegen zichzelf) Maar als één van jullie iets overkomt, vergeef ik het mezelf nooit.

Fereshteh:
En als één van jullie iets overkomt, vergeven wij het onszelf ook nooit.

Saeed:
(bezorgd) Zeg dat niet… (stilte) Ik word er nerveus van… (stilte). Als puntje bij paaltje komt zijn we allemaal lotgenoten.

Fereshteh:
Niet elk lot is een slecht lot. Misschien worden we wel allemaal samen bevrijd.

Saeed:
(verdrietig, onder zijn lippen) Of… wie weet, sterven we allemaal samen.

Fereshteh:
(neemt hem niet al te serieus, met een afwijzende toon) We hebben nog tijd voor dat gebeurt. Over onze dood hoef jij je alleszins nu geen zorgen te maken. Wacht… hoe laat is de vergadering?

Saeed:
Zoals altijd, toch? Om half tien bij de slaapzaal.

Fereshteh:
(met vastberadenheid) Je bedoelt de mannenslaapzaal.

Saeed:
Word toch niet boos, mevrouw Alizadeh. Wat wilt u dat ik nu doe? Om half tien komt iedereen samen in de slaapzaal. Het lukt niet om iedereen eerder bijeen te krijgen.

Fereshteh:
Wie is ‘iedereen’ precies? Alleen de mannelijke studenten, of niet? Alle belangrijke vergaderingen plannen jullie ’s avonds, terwijl jullie heel goed weten dat de vrouwenslaapzaal om negen uur sluit en ze niemand meer naar buiten of binnen laten.

Saeed:
Kijk niet alleen naar uzelf, juffrouw Fereshteh. Het aantal betrokken meisjes is heel laag. Dat weet u zelf toch ook.

Fereshteh:
(alsof ze tegen zichzelf spreekt) Ik? Ik die elke avond het gevecht met mijn vader moet aangaan over wanneer ik thuiskom en wanneer ik wegga…

Saeed:
Laat hem een beetje begaan. Hij maakt zich gewoon zorgen om u – begrijpelijk toch?

Fereshteh:
(tegen zichzelf) Oh God, moge er een dag komen dat ze zichzelf van nu terugzien en zeggen: hoe heb ik mezelf, in Gods naam, zo denigrerend naar vrouwen laten kijken? Misschien maak ik die dag niet meer mee, maar mijn kinderen… ik zal dochters grootbrengen die…

Saeed:
(onderbreekt Fereshteh) Dus binnen vijfentwintig jaar vindt u het prima als uw dochter pas om tien uur ’s avonds thuiskomt?

Fereshteh:
Mijn dochter? (verzonken in dromen) Mijn dochter loopt midden op straat met haar vuisten in de lucht…

Saeed:
(lacht) Midden op straat? Het is toch geen revolutie! Ik kan me dat zelfs niet voorstellen.

Fereshteh:
(alsof ze droomt) Beeld het je in. Ik weet dat het moeilijk is om het je voor te stellen.

Saeed:
Zeg – zullen we stilletjesaan naar college gaan? We praten nu al bijna een kwartier met z’n tweeën. Als we zo doorgaan, komt de beveiligingsdienst en krijgen we die op ons dak.
(beide personages verwijderen zich langzaam uit het midden van het podium)

Fereshteh:
(terwijl ze weggaan) Ik heb er genoeg van. Het is toch de tijd van hervormingen. Met een theocratisch regime kunnen we niets beginnen.
Trouwens, heb je de laatste toespraak van Soroush gehoord? Ik denk dat…
(licht en geluid doven uit)