introductie gevangenisliteratuur

De gevangenis corrigeert niemand; zij onthult slechts wat de samenleving van ons heeft gemaakt. — José Revueltas

In deze nieuwe editie van nY richten we onze blik op de gevangenis – niet louter als abstract instrument van staatsmacht, maar als concrete, gelaagde ruimte die mensen vormt, transformeert en soms ook breekt. Elke gevangenis is uniek: getekend door een eigen geschiedenis, lokaal gevormende routines, en interne dynamieken, die telkens een andere precieze verbeelding vereist. De verbeelding kan een tegenmacht bieden tegen de afgedwongen onzichtbaarheid en verstarring die de gevangenis oplegt. Tegelijkertijd is de gevangenis een plek waar, juist in confrontatie met macht en dwang, politieke ideeën kristalliseren, nieuwe solidariteit ontstaat en persoonlijke transformaties plaatsvinden.

Gevangenisverbeelding kan ons diepere inzichten geven in de bredere relatie tussen burger en staatsmacht. Door het lezen van verhalen van (ex-)gedetineerden krijgen we zicht op de dubbelzinnigheid van de gevangenis: enerzijds een zogenaamd ‘ordescheppende’ instelling die veiligheid en normhandhaving belooft, anderzijds een ruimte van uitsluiting, geweld, bureaucratische willekeur en sociale ontwrichting. Deze nY biedt teksten die nieuw licht werpen op deze spanningen binnen verschillende kunsttakken en politieke omstandigheden.

Gevangenisliteratuur ons van binnenuit laten zien dat de gevangenis niet slechts een neutrale ordemachine is, maar een complexe sociale ruimte waarin macht, recht, persoonlijk lijden en politieke ideeën voortdurend met elkaar in wisselwerking staan. We nodigen de lezer uit tot reflectie op onze eigen rol als burger en onze verhouding tot de staat: hoe we macht ervaren, begrijpen, en kunnen uitdagen.

‘De tekst en de gevangenis wisselen van rol; de tekst is een document dat de gevangenis omvat, en de gevangenis is een document waarin de tekst scheuren maakt,’ schrijft de Palestijnse Layan Kaled in ‘The Prison As a Text’, geschreven in 2021, vertaald door Samuel Vriezen. Vanuit een Israëlische gevangenis onderzoekt ze de rol die schrijven heeft in het vangen maar ook overstijgen van de opsluiting. Palestijnse gevangenen gebruiken schrijven, poëzie, brieven en kleine rituelen om hun subjectiviteit en politieke handelingsvermogen te behouden.

eddie azulay vertaalde voor dit nummer een fragment uit El Apando (1969) van José Revueltas (1914-1976), een van de meest prominente Mexicaanse auteurs van de 20e eeuw. Revueltas, in de nasleep van het Bloedbad van Tlatelolco vervolgd door de staat voor zijn betrokkenheid bij de Mexicaanse studentenbeweging, spendeerde tweeëneenhalf jaar in de gevangenis van Lecumberri. Het werd de grondslag voor zijn bekendste roman, een wervelende magmatische tekst van één ononderbroken alinea over het leven in Lecumberri. Het vertaalde fragment verhaalt dat er ook binnen de gevangenis verdere gevangenissen bestaan. ‘El apando’ verwijst namelijk naar een soort isoleercel, specifiek aan Lecumberri waar gevangenen nog harder door de cipiers werden aangepakt.

 

 

Simone Atangana Bekono schreef voor het dossier een nieuw gedicht, ‘Welvaartsevangelie van het jeugddetentiecentrum’, waarin ze reflecteert op haar ervaring met de jongeren in jeugddetentiecentra die ze leerde kennen in het onderzoek voor haar roman Confrontaties (2020). Bekono portretteert het dagelijkse leven in het centrum als een wereld van stilzwijgende dwang en gecontroleerde rituelen en vraagt zich af hoe de jongeren verder kunnen nadat ze werden ‘gebrandmerkt door beton’.

 

In een essay van Amiri Peyman, vertaald door Nhomy Mettendaf, gaat hij uitvoerig in op wat hij het ‘geheugenactivisme’ van Iraanse politieke gevangen noemt. De machtswissel van 1979 en bracht meerdere decennia van hardhandige repressie mee, waar echter weinig officiële herinnering van bestaat. Peyman gaat in op een breed aan gevangenismemories die in de loop der jaren verschenen zijn en functioneren als een alternatief corpus waar een publiek herdenken mee opgebouwd kan worden. De ex-gevangenen transformeerden hun persoonlijk lijden tot een gezamenlijke en gedeelde publieke getuigenis en actief herinneren werd zo een vorm van politiek verzet tegen opgedrongen vergetelheid.

 

Het olieveld is een poppentheaterspel dat in november 2022 in de Elin-gevangenis in Teheran eenmalig is opgevoerd door een collectief aan gevangenen van verscheidene politieke strekkingen. Niloufar Nematollahi schreef voor nY een uitgebreide toelichting en vertaalde enkele scènes uit dit verbluffende collectieve werk, dat voortkwam uit de drang van de gevangenen, zoals Nematollahi schrijft, ‘om de afstand te overbruggen tussen henzelf en de straten waarvan ze waren afgesneden, maar ook om vast te leggen wat zij zelf ooit hadden ervaren – de reden voor hun isolement, hun straf – en dat te verbinden aan het politieke landschap.’

 

Afgelopen herfst startten Charlotte Boddaert en Maxime Savoldi met een reeks teken- en schrijfateliers in de in verval geraakte gevangenis van Sint-Gillis, die eigenlijk al had moeten sluiten, maar wegens overbevolking van het Belgische gevangeniswezen toch open blijft. Het wekelijks atelier in vleugel D werd voor de gevangenen een ontmoetingsplaats, waar ze middels tekenen en schrijven hun verhalen en ervaringen deelden. Boddaert en Savoldi selecteerden enkele teksten van de cursisten voor nY.

 

Lars Meijer zoomt met zijn bijdrage, ‘Tegen welke prijs?’, in op vrouwelijke politieke gevangenen in Rusland onder Poetin. In een vergelijkend essay houdt hij drie gevangenisteksten, van respectievelijk Nadia Tolokonnikova, Kira Jarmysj en Daria Serenko, nauwer tegen het licht en toont in de vergelijking hoe gender, klassenverschillen en politieke  reputatie ook achter tralies blijven doorwerken. Meijer stelt onder meer de ongemakkelijke vraag in welke mate solidariteit kan standhouden in een wereld waarin internationale media-aandacht zo bepalend kan zijn voor de slagkracht van nationaal politiek verzet en de overlevingskansen van een politiek dissident.

 

De afgelopen jaren werkte Gilles Vandaele, samen met Maarten De Meuleneire aan From afar (2025), een film over de gesloten centra rondom de luchthaven van Zaventem, waar illegaal verklaarde immigranten hun deportatie afwachten. In hun bijdrage voor nY vertelt hen over de stille geschiedenis van zulke centra in België, die in de schaduw van het gerechtsapparaat fungeren, het verzet dat organisaties als ‘Getting the Voice out’ voeren in samenwerking met de opgeslotenen en welke cinematografische taal zich opdringt bij het in beeld brengen van gevangenissen die zich proberen te onttrekken aan de blik van de rechtsstaat.

 

In ‘Achter de celwand: vibraties van gevangenismuren in cinema’ tekent Nina de Vroome op  hoe gevangeniscellen in film dubbel fungeren. Ze zijn zowel cinematografische begrenzing als poëtisch instrument. Van Jean Genets tedere oertekst Chant d’amour, over de materialiteit van Robert Bressons onderzoek naar de relatie tussen intern drama en intieme geste, tot de documentaire scherpte van Frederick Wisemans Titicut Follies, laten de muren zien hoe verlangens, angst en vrijheid door geluid, aanraking en blik tot leven komen. De cel wordt zo een microkosmos waarin iedere trilling, ieder object en elke handeling een verhaal vertelt over menselijkheid, macht en de dunne grens tussen opsluiting en verbeelding.

 

Buiten het dossier hebben we poëzie van Merel Nijhuis, uit haar ArtEZ afstudeerwerk Bont en als spiralen opgekruld (2025). Ook publiceren we een gedicht van schrijver en vertaler Astrid Alben, ‘Zijwaarts uit het onbekende’, dat zij eerder in het Engels schreef en voor nY naar het Nederlands vertaalde. Daarnaast presenteren we twee nieuwe gedichten uit de komende bundel van Çağlar Köseoğlu, Onze liefde is terroristisch. De tweede vertaling van Nisrine Mbarki Ben Ayad als gastvertaler voor dit nummer is een gedicht van de Palestijnse dichter, schrijver en theatermaker Dalia Taha.