Verwaarloosde moeders
  1.  

Er zitten grote gaten in mijn herinneringen aan vroeger, maar dit weet ik nog precies. Het moment dat de kraamverzorgster het bundeltje in mijn armen legde: mijn zoon. Net geboren. Ik keek voor het eerst in zijn nog wazige blauwgrijze ogen, en dacht: jee, dit is iemand. Iemand die ik moet leren kennen. Tot die tijd, ik was zestien toen ik zwanger bleek, was die baby in mijn buik nog een abstractie. Gewoon: een baby. Maar nu bleek het een persoon te zijn, die ik nog niet kende. Mijn tweede gedachte was: en dit is voor altijd. Geen ontkomen meer aan. Niets daarvoor in mijn leven was mij zo onontkoombaar voorgekomen.

 

Het was begin jaren zestig. Het feminisme moest nog komen maar stond al om de hoek. De pil kwam eraan. De bijstand kwam eraan. Abortus zou gelegaliseerd worden. Dat mannen het hoofd van het gezin waren en getrouwde vrouwen niet zonder zijn toestemming een handtekening onder een contract mochten zetten stond nog in de wet, maar niet lang meer. Vrouwen die kinderen kregen mochten nog ontslagen worden. Maar het gemor van vrouwen die nog nooit eerder in doorsnee zo goed opgeleid waren en zich af begonnen te vragen waarom ze in het isolement van hun eengezinswoning met hun kinderen thuis moesten blijven terwijl hun man, de kostwinner, naar zijn werk was, begon al zachtjes hoorbaar te worden. Joke Smit schreef in 1967 Het onbehagen bij de vrouw en zei provocerend dat we er genoeg van hadden om stofzuigervee te zijn, en dat we ons inmiddels ook hadden geëmancipeerd van de konijnen. We wilden werken, net als de mannen. Iets doen met onze opleiding, ons eigen geld verdienen, deelnemen aan de wereld daarbuiten.

 

Het was mij inmiddels gelukt om te ontvluchten aan de vader van mijn zoon, met wie ik onder de vanzelfsprekende druk van toen was getrouwd. Dat was niet eenvoudig, want eenzijdig je man verlaten was niet mogelijk, en gevaarlijk. Die man bleek een van de velen die gewelddadig waren, maar daar hoorde je nog niemand over. Blijf van m’n Lijfhuizen bestonden nog niet. Politie hoorde nog niet bij de bondgenoten van mishandelde vrouwen en kinderen. 

‘Mevrouw, heeft hij al geschoten?’

‘Nee, als hij al had geschoten dan belde ik waarschijnlijk niet.’

‘Mevrouw, als hij niet heeft geschoten kunnen wij niets doen.’

 

Ik was ook ontvlucht aan mijn middenklassenmilieu, en aan het lot van mijn moeder, die, zoals dat toen hoorde, thuisbleef voor mij en mijn broer en daar niet gelukkiger van werd. Ik was twintig, ontsnapt met een tas kleren en mijn zoontje van drie onder de arm, en zonder een diploma want natuurlijk werd je als je zwanger werd van school gestuurd. Mijn echte eigen leven ging beginnen. En daar was het feminisme, alsof het speciaal voor mij was bedacht.

 

2.

Dit was een van de eerste belangrijke feministische issues: vrouwen zijn méér dan alleen moeders en huisvrouwen. Meer dan alleen de vrouw en de moeder van. Die eerste feministen waren niet voor niets voornamelijk middenklassevrouwen die een grote kloof ervaarden tussen dat wat ze zouden kunnen zijn en dat wat ze mochten doen. Er was met het feminisme geen reden meer waarom zij hun eigen ambities opzij zouden zetten voor die van een man. We kregen minder kinderen. We konden zelfs kiezen om geen kinderen te krijgen. Er was geen reden meer waarom ons gehele leven in dienst zou moeten staan van het moederschap. Wat we toen nog over het hoofd zagen is dat er vrouwen waren die wat wij eerste feministen als vrijheid zagen altijd al anders ervaarden. Vrouwen die noodgedwongen in loondienst werkten en voor wie thuis bij de kinderen blijven een luxe was die zij zich niet konden veroorloven. ’s Avonds kantoren schoonmaken of werken in de huishouding van andere vrouwen, naast hun eigen huishouding; als dat emancipatie was, dan was dat aan hen niet besteed. Het duurde even, maar voor mij als beginnend feministe werd al spoedig duidelijk dat ‘vrouwen’ niet één groep zijn, maar dat we onderling verschilden. Er was ook nog klasse, kleur, seksualiteit. Ik maakte al kennis met het intersectionalisme voordat het die naam had.

 

Tegenwoordig kunnen vrouwen kiezen. Er zijn drie opties: kiezen voor kinderen krijgen en thuisblijven. Of kiezen voor een carrière. Of proberen een combi te maken: een gezin met kinderen én betaald werk. Wat de nadelen zijn van thuismoeder worden weten we: financiële afhankelijkheid, en moeilijk weer aan het werk komen als de kinderen groot zijn. Een echte carrière is moeilijk te combineren met kinderen, tenzij je voldoende verdient om veel zorg en huishouden uit te besteden, en dan moet je wel willen dat je zelf weinig tijd voor je kinderen hebt. De meeste Nederlandse vrouwen kiezen tegenwoordig voor de combi, waarmee je in de vraag terecht komt hoe je een balans kunt vinden tussen werk en gezin. Meestal dus door parttime werk. Waarmee veel vrouwen nog steeds economisch afhankelijk blijven. De enige optie die voor heel weinig vrouwen is weggelegd, is een volle baan en een partner die de hoofdverantwoordelijkheid neemt voor het thuisfront, want mannen doen zelden voor vrouwen wat vrouwen nog steeds wel voor mannen doen. Zover zijn we dus: we mogen tegenwoordig kiezen welk probleem we het liefst hebben.

 

3.

We zijn zo bezig geweest met ontsnappen aan het keurslijf van de gezinsideologie, dat we van de weeromstuit moederschap zijn gaan zien als een hindernis voor een vrijer leven. Neem Simone de Beauvoir, die ons voorhield dat als je je eigen emancipatie serieus wilde nemen, je beter geen kinderen kon krijgen, en ook niet samen met een man moest gaan samenwonen. Als individuele keuze is daar niets tegen in te brengen. Het is absoluut winst dat we niet meer gedwongen kunnen worden om kinderen te baren, laat staan om ons daarbij afhankelijk te maken van een man. Maar als collectieve keuze gaat dat nergens heen. Letterlijk niet. Als vrouwen vanaf morgen allemaal zouden weigeren om nog kinderen te krijgen waren met één generatie alle problemen opgelost. Inclusief die van de klimaatramp. We zetten gewoon een punt achter de mensheid. Maar als we willen voortbestaan is moederschap, of ouderschap als je wilt, een onvermijdelijke issue. En in deze tijd dus een probleem.

 

In onze haast om aan de dwang van de moederschapsideologie te ontkomen zijn we zo ver de andere kant op geschoven dat we ons inmiddels afhankelijk hebben gemaakt van een andere ideologie: die van het neoliberalisme. Vraag aan wie dan ook wat we onder feminisme moeten verstaan, en er komt een verhaal over gelijkheid, gelijk loon en meer vrouwen naar de top. Zo kunnen we jongere vrouwen die vooral bezig zijn met hun carrière, horen beweren dat alleen een volle baan wat voorstelt. Ook als je kinderen hebt. Zoals Liesbeth Staats, auteur van het boek Vrouwen werken minder dan mannen in een interview beweerde: ‘fulltime werken is voor vrouwen een daad van verzet’. In mijn ogen is jezelf dwingen om een volle baan te combineren met het moederschap een daad van ultieme aanpassing aan het overheersende idee dat alleen betaald werk telt. Vandaar de titel: vrouwen werken minder dan mannen. Wat niet klopt: wanneer we betaald en onbetaald werk optellen werken vrouwen en mannen evenveel.

 

  1.  

Het is interessant om na te gaan hoe wij op dit punt terecht zijn gekomen in onze geschiedenis. Om te beginnen hebben we met huid en haar de ideologie verslonden dat een man die buitenshuis werkt, de kostwinner, en een vrouw die thuisblijft bij de kinderen, moeder de vrouw, de natuurlijke gang van zaken was. Daar blijft niet veel van over wanneer we nagaan dat het kostwinnersgezin historisch gezien een nieuw verschijnsel was, dat het nog geen eeuw heeft volgehouden. Vrouwen hebben altijd gewerkt, naast hun moederschap. Dat was al zo bij de eerste volken, de jager-verzamelaars, toen vrouwen met kind op de rug zorgden voor het grootste deel van de noodzakelijke voeding, noten, knollen, planten, kleine dieren. Dat is zo gebleven door de eeuwen heen, toen een gezin een productie-eenheid was, waarin zowel werd gewerkt voor de markt als voor het eigen levensonderhoud. Vrouwen dreven handel, beheerden winkels, maakten en wasten kleren voor anderen, bakten brood en karnden boter voor de markt. Ze konden dit werk vanuit huis doen, het was dus verenigbaar met een kind aan de borst. Op veel plekken over de hele wereld is dit nog zo. Maar hier werd het normaal dat moeders zich met hun kinderen terugtrokken in de eengezinswoning. Daarmee werd het moederschap eenzamer dan ooit tevoren. Antropologe Sarah Blaffer Hrdy stelt in Een kind heeft vele moeders dat het oergezin nooit heeft bestaan uit vadermoederkind, maar voornamelijk uit groepen vrouwen, die gezamenlijk voor de kinderen zorgden. Het optimale aantal ‘ouders’ is niet twee, maar drie, zegt ze. Grootmoeders, de moeders van de moeder, hadden waarschijnlijk een belangrijkere rol dan de vaders.

 

  1.  

Ja, het zou fijn zijn geweest wanneer vaders meer investeerden in hun kinderen, en niet alleen door het thuisbrengen van een everzwijn of een salaris. Daar hebben we ons als feministen behoorlijk op verkeken, toen we nog dachten dat het logisch was dat mannen meer zorg in huis over zouden nemen naarmate meer vrouwen buitenshuis zouden gaan werken. Logisch was het wel, maar het gebeurde niet. Of maar een beetje. Mannen zijn leuker met hun kinderen dan de vaders uit mijn jeugd. Er heeft een ware revolutie plaatsgevonden, maar het is een halve revolutie gebleven. Driekwart van de moeders werkt tegenwoordig buitenhuis. De ‘thuisblijvende moeders’ zijn een minderheid geworden. De vaders doen wel een beetje meer, maar nog steeds veel minder dan de moeders. Die, in Nederland, dus de voorkeur geven aan parttime werk, om nog tijd te hebben voor de kinderen. Wie genoeg verdient kan oppas inhuren en een flink deel van de zorg overhevelen naar andere vrouwen. Maar om te beginnen verdient niet iedereen genoeg. Met name alleenstaande moeders komen vaak in de knel, en horen inmiddels bij de bevolkingsgroepen met de grootste kans op langdurige armoede. En bovendien: tellen de vrouwen die schoonmaken en op de kinderen passen tegen betaling voor het feminisme wel mee?

 

6.

Wie heeft bedacht dat kinderen op de wereld zetten en ze grootbrengen geen bijdrage is aan de samenleving, maar een soort luxe hobby? Het communisme heeft tegenwoordig een slechte naam, en met reden, maar in Kirsten Ghodsees Waarom vrouwen betere seks hebben onder het socialisme kunnen we lezen dat het vroege communisme begreep dat het belangrijk was dat vrouwen konden werken én dat ze kinderen konden krijgen. Dus hadden alle vrouwen recht op werk, maar ook ondersteuning bij de opvang, bij de huishoudelijke taken die collectief gedaan konden worden. Ook de alleenstaande moeders. Want echtscheiding was in het Oostblok al mogelijk toen dat bij ons nog een groot probleem was. Ideale maatschappij? Dat is het niet geworden. Maar wel was daar duidelijk dat ook de zorg voor kinderen maatschappelijk belang had. Wat we hier lijken te zijn vergeten.

 

7.

Ik kreeg bijna ruzie met een mevrouw die boos op mij was toen ik opkwam voor meer ondersteuning voor moeders. Zij had principieel gekozen om geen kinderen te hebben en vond het belachelijk dat zij via de belasting nu mee zou moeten betalen voor de kinderen van anderen. Ik was even perplex toen ik dat hoorde, tot het tot me doordrong. Hier was iemand die dacht dat de kinderen van anderen haar niet aangingen. Hoewel ze de hele dag, haar hele leven lang, wordt verzorgd, bediend, verpleegd door de kinderen van anderen die volwassen zijn geworden. Wie zorgt er voor de aanwezigheid van werkende mensen als dat niet om te beginnen de moeders zijn? Als de arbeiders zorgen voor de productie, wie produceert dan de arbeiders? Dit is het punt waaruit blijkt hoe we al gehersenspoeld zijn door het kapitalisme, dat alleen loon uit wil betalen aan werkers die meer winst opleveren dan ze mee naar huis mogen nemen. Niet alleen wij als samenleving hebben kinderen nodig om het bestaan voort te zetten, ook het kapitalisme kan niet zonder. Zonder kinderen geen arbeiders die voor de winsten zorgen. Maar op de zorg voor kinderen is geen winst te maken, en het kapitalisme laat dat dus graag aan ons over. We zoeken het maar uit. Zelfs Marx zag dat over het hoofd: volgens hem kon je de reproductie van de arbeidskracht, in andere woorden de voortplanting, rustig aan de arbeider zelf overlaten. En zo hebben we leren denken: waar je winst mee kunt maken, dat is van waarde. Het leven zelf in stand houden, dat niet.

 

8.

Als feministe die niet vergeet dat ook klasse, kleur en andere ‘grammatica’s van verschil’ (Gloria Wekker) ertoe doen, vind ik dus dat het hoog tijd wordt dat we opnieuw een feministische visie ontwikkelen op de zorg, op alles wat nodig is om het leven in stand te houden, en dus ook op moederschap. Lees bijvoorbeeld Feminisme voor de 99%, een manifest, van Cinzia Arruzza, Tithi Bhattacharya en Nancy Fraser. Het door het neoliberalisme geproclameerde nieuwe ideaal van het ‘tweeverdienersgezin’ is bedoeld om vrouwen massaal aan de loonarbeid te zetten, staat er in het manifest. Hoe ze dat combineren met kinderen zoeken ze zelf maar uit. En wat wordt gepresenteerd als emancipatie is in feite een systeem van intensievere exploitatie en onteigening, waar alleen een dun laagje vrouwen aan de bovenkant van de samenleving van profiteert.

 

Het is nodig dat iedereen, ook moeders, voldoende middelen van bestaan hebben, een dak boven het hoofd, geen zorgen over hoe ze de huur en de elektriciteit moeten betalen. We leven in een welvarend land. Maar wel een waarin nog een miljoen mensen arm zijn, en de rijken steeds rijker worden. En waarin we het aan de vrouwen zelf overlaten hoe die een ‘balans’ vinden tussen werk binnen- en buitenshuis. Terwijl dat een gezamenlijke verantwoordelijkheid zou moeten zijn. Kinderen verzorgen is niet alleen werk wanneer het de kinderen van anderen zijn.

 

Dit is het probleem: een halve revolutie. Een samenleving waarin vrouwen moeten werken alsof ze geen kinderen te verzorgen hebben, en hun kinderen moeten verzorgen alsof ze geen werk hebben.

 

Dat kan beter.