introductie: transklassen in het laagland

Lang werd het bestaan van klasse in Nederland (en in mindere mate Vlaanderen, waarover later meer) heftig ontkend. Dat is nu niet langer het geval. Er verschijnt opmerkelijk veel fictie en non-fictie in het Nederlands taalgebied over klassenverschillen en -verhoudingen. Vooral het fenomeen van de transfuge de classe oftewel transclasse (de term is van Chantal Jaquet, in dit nummer vertegenwoordigd met een interview), de persoon die het arbeidersmilieu verlaat en in de middenklasse belandt, vormt een brandpunt van discussies over de realiteit van sociaal-economische verschillen. Zoals Solange Manche in haar introductie tot het interview met Jaquet schrijft, groeide de figuur van de transclasse met het internationale succes van Édouard Louis’ debuutroman Weg met Eddy Bellegueule (2014) uit tot een mediafenomeen, iets wat nog werd versterkt door de toekenning van de Nobelprijs aan Annie Ernaux in 2022.
            In Nederland en Vlaanderen kennen we dit fenomeen ook: onder meer Misschien moet je iets lager mikken van Milio van de Kamp (2023), Vuistslagen van Rasit Elibol (2025) en Transklasse. Leven in twee werelden van Lenette Schuijt (2023) zijn bekende non-fictietitels over het fenomeen van de transklasse; binnen het domein van de fictie kun je denken aan Rouwdouwers (2024) van Falun Ellie Koos. De klassenmigrant stijgt een tree op de economische en sociale ladder en verhuist zo van de arbeidersklasse naar de (hogere) middenklasse. Daardoor leeft de transklasse tussen twee werelden: deze persoon heeft het oude milieu verlaten, maar blijft desondanks een buitenstaander in de nieuwe sociale omgeving, waardoor diegene zich ontheemd voelt. Vaak vervult de klassenmigrant bovendien de rol van ‘informant’: mensen die het beter hebben worden op de hoogte gebracht van de manier waarop een onbekende, onzichtbare groep landgenoten leeft en leert zo dat niet iedereen tot de comfortabele middenklasse behoort.
            In nY #60 onderzoeken we dit leven en schrijven tussen twee sociale werelden. Allereerst willen we de laaglandse transklasse scherper in beeld krijgen. Wie is hij, zij of hen? We gaan daarbij de dialoog aan met de internationale literatuur en theorievorming over dit fenomeen, vooral die uit Frankrijk en de Angelsaksische wereld. Maar we willen bovenal laten zien welke Nederlandstalige bronnen en voorbeelden er zijn. Ten tweede vragen we ons af hoe we klasse in Nederland en Vlaanderen moeten analyseren en begrijpen. Hoe werkt klasse in Nederland en Vlaanderen en wat zijn de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen? Daarbij kijken we ook naar de manier waarop andere identiteiten zoals gender, seksualiteit en afkomst de constructie van klasse in de Lage Landen beïnvloeden. In hoeverre is ‘ras de modaliteit waarbinnen klasse wordt beleefd’, om met de Britse socioloog Stuart Hall te spreken? En wat is ten slotte de relatie tussen transklassen- en migrantenliteratuur en het voor Nederland en Vlaanderen lang zo dominante epos van de verzuiling en ontzuiling? We verkennen deze vragen in nY #60 in zowel literaire en essayistische als theoretisch getoonzette bijdragen. Daarmee willen we een bijdrage leveren aan een beter begrip van de verschijningen van transklasse(n) in de literatuur van de Lage Landen.
            Eerst iets over de terminologie. De Franse term transclasse is afgekort van transfuge de classe, wat zoiets als ‘klassenoverloper’ betekent. Een equivalente term bestaat in het Nederlands niet. ‘Overloper’ klinkt in onze oren bovendien nogal negatief, terwijl voor Jacquet niet het uiterst geladen woord ‘verraad’ maar het fenomeen van de transitie of overgang het belangrijkste element is binnen de sociale positie van de transklasse. De meest gebruikelijke Nederlandse vertaling is klassenmigrant, maar daar kleven bezwaren aan. In Frankrijk is door schrijvers met een migratieachtergrond kritiek geuit op de gelijkstelling van migratie aan de ervaringen van de arbeidersklasse. Zo sprak Kaoutar Harchi de Franse Nobelprijswinnaar Annie Ernaux aan op het gebruik van de woorden ‘ras’ en ‘migratie’ om het over de arbeidersklasse te hebben zonder dat ze het ooit heeft over immigratie.[1]
            We erkennen in dit nummer de intersectionele lacunes die deze term aankleven, maar stellen ook vast dat er niet altijd een passend alternatief is voor de term klassenmigratie. Daarom worden in dit nummer zowel transklasse als klassenmigrant gebruikt. De laatste term is courant geworden in het Nederlandse taalgebied, zeker in Nederland.[2] Het is niet mogelijk om een term uit te vinden die alle nuances en betekenissen vat: we benaderen de transklasse, in navolging van de Franse filosoof Chantal Jaquet, daarom eerder als een veld van spanningen en sociale contradicties, als een conceptueel of zelfs literair personage dat niet overlapt met de individuele eigenheid van iedere autobiografische ervaring alleen.
            Wie de bijdragen aan dit nummer overziet, kan moeilijk tot een eenduidig profiel van de laaglandse transklasse komen, zoals dat opdoemt uit de Franse literatuur. We kunnen daarvoor verschillende oorzaken aanwijzen. De belangrijkste is van historische en structurele aard. De Nederlandse en Vlaamse maatschappij waren tot ver in de twintigste eeuw eerder standenmaatschappijen dan klassenmaatschappijen, waarin nauwelijks sociale mobiliteit bestond. Het gebrek aan een sterke, gecentraliseerde staat betekende dat het voor een intellectuele middenklasse ook niet mogelijk was om via staatsambten carrière te maken, zoals in Frankrijk of Duitsland mogelijk was. Een achterblijvende industrialisering zorgde in onze landsstreken, waar gezeten regenten (in Nederland) en regionale elites van notabelen (in Nederland en Vlaanderen) dan wel de Franstalige bourgeoisie (in Vlaanderen) overheersten, voor grote sociale stagnatie. Een Julien Sorel of Oliver Twist was daarom moeilijk denkbaar. Daarvoor ontbraken domweg de sociale en economische voorwaarden. In plaats daarvan kwam een personage als Woutertje Pieterse op, eerder een schelm die de huichelachtigheid van de fatsoenlijke burgermansmoraal uitdaagt en ontvlucht. 
            De invoering van de HBS in de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde dit beeld aanzienlijk. De groeiende industrie had behoefte aan betere en vooral technisch geschoolde krachten, waardoor vooral jongens uit de middenklasse konden gaan studeren, iets wat voorheen voorbehouden was aan de hogere standen. Toch bleven veel barrières lang in stand. Toen Nederland en Vlaanderen in de twintigste eeuw geleidelijk in een klassenmaatschappij veranderden, voltrok emancipatie zich vooral via de zuil en de cultuur en instituties van de zuil, die confessioneel (katholiek of protestants in Nederland) of socialistisch was. De zuilen maakten een vorm van sociale mobiliteit mogelijk, al verliep die wel binnen de eigen groep – horizontale sprongen of verschuivingen waren er nauwelijks. Ook dit zorgde voor een demper op mobiliteit, intellectuele vrijheid en narratieven over mobiliteit. Er was immers geen nationale cultuur om aan deel te nemen of in op te klimmen. Deze collectieve maar zuilgebonden emancipatie bleef na de Tweede Wereldoorlog nog even bestaan, maar werd vanaf de jaren zestig meer en meer vervangen door verheffing via het hoger onderwijs. De universiteit, voorheen voorbehouden aan de hogere standen, werd opengesteld voor steeds meer groepen, waardoor veel kinderen uit de lagere klassen konden gaan studeren. De eerste decennia na de oorlog waren ‘een unieke periode in de Nederlandse geschiedenis waarin er veel mogelijkheden bestonden om sociaal te stijgen, die ook werden benut. Er stond geen muur tussen hoofdwerkers en handwerkers en er werden “ladders” neergelaten vanuit de hoogopgeleide vestingmuren, wat tot grote sociale tevredenheid leidde.’  [3]
            Zo ontstond er geleidelijk een hoger geschoolde middenklasse in Nederland, die de meritocratische waarden volledig had geïnternaliseerd. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat collectieve emancipatie op het tweede plan kwam. Emancipatie werd vooral een individuele opdracht en verworvenheid. In hoeverre zit de klassenmigrant gevangen in een individueel succesverhaal?
            In haar werk gaat de Franse filosoof Chantal Jaquet scherp in op deze vraag. Hoe moeten we de verhouding tussen individu en collectief begrijpen? In haar boek Les transclasses, ou la non-reproduction (Transklassen, het doorbreken van de reproductie, 2014) grijpt deze Franse filosoof de klassenmigrant aan om vanuit een sociologisch perspectief te verklaren hoe het mogelijk is om van klasse te veranderen. Haar term transclasse omvat zowel opwaartse als neerwaartse sociale mobiliteit. Waar ze in haar eerste boek sterk leunde op literaire voorbeelden om individuele trajecten van klassentransitie te kunnen duiden, zo stelt Solange Manche in haar introductie op Jaquet, neemt ze in haar nieuwe boek afstand van de literatuur en schetst ze een grootschalige politieke visie voor radicale emancipatie. In Révolutions Transclasses (2026) stelt ze, teruggrijpend op Marx, de vraag hoe we de klassenmaatschappij kunnen opheffen en welke rol transklassen daarin (nog) kunnen spelen.
            Ervan overtuigd dat Jaquet ook een belangrijk theoretisch fundament legt voor de discussies over (trans)klassen in de Lage Landen, toog schrijver en onderzoeker Solange Manche naar Parijs voor een interview. Dit rijke gesprek, waaraan ook Nadia de Vries en Persis Bekkering bijdroegen, publiceren we hier in het Nederlands. Jaquet beklemtoont in dit gesprek de voor haar nog altijd wezenlijke rol van literatuur voor de vorming van haar gedachtegoed. De literatuur kan immers een singuliere universaliteit vangen, iets waartoe de sociologie of filosofie, met hun universele oogmerk, niet in staat is. Bovendien zijn literaire teksten volgens Jaquet ‘een manier om sociale trajecten te benaderen zonder een expliciete politieke agenda; zonder een hagiografische insteek en zonder rechtvaardiging of oordeel’ – een ambitie waarin we die van nY herkennen en die we als lens voor het lezen van de bijdragen aan dit nummer aanbieden. Jaquet staat ook stil bij de verstrengeling van ras, klasse en gender, maar waarschuwt ervoor om de strijd voor sociale strijd enkel in termen van zichtbaarheid of de introductie van nieuwe labels te voeren. Niet het claimen van een gediscrimineerde sociale identiteit moet het uitgangspunt zijn, maar sociale rechtvaardigheid zelf moet de horizon zijn van sociale strijd. De transklasse kan volgens Jaquet een kritisch potentieel herbergen, doordat ze de meritocratische illusie die kansengelijkheid als panacee ziet doorprikken kan. Maar dit is geen zekerheid: de transklasse kan ook gemakkelijk worden geïnstrumentaliseerd om het milieu van afkomst te kleineren en de cultuur van de hogere klasse op te hemelen. Zo verschijnt de transklasse bij Jaquet als kruispunt van sociale trajecten, als een figuur ook die ons kan doen nadenken over al wie geen duidelijke standing or station bezetten in het leven, zonder daarbij te vervallen in gemakzuchtige generalisaties.
            Manche leverde zelf ook een tekst voor dit nummer. In ‘De laatste transklasse’ laat zij zien hoezeer de transfuge de classe in Frankrijk, van Édouard Louis tot Didier Éribon en Annie Ernaux, een product is van bijzonder hechte sociale structuren en hiërarchieën, die in scholen en universiteiten worden gereproduceerd. Dat deze figuur in dit land zo sterk uitgekristalliseerd is, blijkt het gevolg van dit gecentraliseerde, nationale onderwijssysteem en bovendien van een buitengewoon verticale literaire traditie met ingeprente esthetische normen. Ook de dialectiek tussen literatuur, geschiedenis en het denken is een belangrijke factor: de sociologie van Pierre Bourdieu is van centrale betekenis voor de transklasse, die er voortdurend mee in dialoog verkeert. Manche leerde dit hechte systeem van binnenuit kennen en vergunt ons een scherpe, oorspronkelijke en persoonlijk geladen blik op de materialistische Franse intellectuele traditie, waarin de politiek van de literaire vorm en sociaal determinisme zijn verbonden. De écriture platte van Annie Ernaux is volgens haar een klassenbewuste reactie op de onwrikbare literaire en esthetische codes van de Franse literatuur. Op ‘autobiosociografische wijze’ beschrijft Manche haar eigen milieu: hoe zij zelf eerder precair is en overleeft in haar omgebouwde bus, zonder vast werk of verblijfplaats. De laatste transklasse schiet bij haar al in de achteruitkijkspiegel weg: met het afbladderen van het naoorlogse compromis tussen kapitaal en arbeid, dat een ongekende sociale mobiliteit mogelijk maakte, is een literatuur rondom arbeid wellicht dwingender en relevanter dan de transklassefiguur, die nu vooral een rol als ideologisch tegenwicht vervult voor de realiteit van sociale daling.
            Manche roept daarmee de vraag op die over meer bijdragen hangt: hoe ziet de transklasse eruit wanneer opwaartse mobiliteit niet in een stijgende lijn verkeert, maar een krimp vertoont? Manche benoemt daarbij het belang van de factor van het bestaan van onbetwiste literaire vormen en normen, een factor die voor de Franse literatuur geldt, maar veel minder voor de Angelsaksische en de Nederlandse. In het Angelsaksische taalgebied, aldus Manche, heeft het vakgebied van cultural studies gezorgd voor een sociologische en culturele consecratie van de ervaringen van de lagere klassen in de cultuur, terwijl in de VS de Harlem Renaissance al in de jaren dertig zorgde voor de aanvaarding van de Afro-Afrikaanse cultuur. Daarvoor hoefde in Groot-Brittannië, anders dan in Frankrijk, geen hoge literaire taal te worden doorbroken. Wel moest er een frontale strijd gevoerd worden tegen de hogere klasse, die in het Verenigd Koninkrijk nog veel meer door de oude aristocratische culturele codes werd bepaald.
            Nederland is van de Britse situatie zowat het spiegelbeeld: daar was het niet de dominantie, maar juist de onderontwikkeling van de adel en een haute bourgeoisie die de adel imiteerde, die het sociale en culturele klimaat bepaalde.[4] De Nederlandse ‘eindeloze jaren zestig’ liepen niet uit op een frontale confrontatie met de oude orde, maar werden, in de beroemde woorden van historicus James Kennedy, verend opgevangen. Ook in Nederland voltrok zich, zonder een systematisch, sociologisch gegrond programma als cultural studies, een zekere democratisering van de literaire taal – of misschien moeten we niet spreken over democratisering maar over informalisering, die in veel gevallen een valse gelijkheid suggereert.[5] De overgang van grote groepen uit de lagere klassen naar de middenklasse, mogelijk gemaakt door de expansie van het hoger onderwijs, vond hierdoor een heel andere uitdrukking: de ‘culturele emigranten’ van de jaren zeventig, op het hoogtepunt van de ontzuiling, imiteerden niet een hoge stijl, noch brachten zij op sociaal-realistische wijze hun ervaringen binnen in de literatuur, maar schreven een literatuur die door literatuurhistorici Ruiter en Smulders ‘literaire popart’ werd gedoopt.[6]
            Toen de Nederlandse maatschappij na de ontzuiling braak lag, werd de weg vrijgemaakt voor heel andere, veelal ironische culturele vormen, die aan geen enkele vaste of overgeleverde traditie leken te gehoorzamen. Hoog en laag, platvloers en verheven, de cultuur werd, aldus Ruiter en Smulders, een grote grabbelton waaruit naar hartenlust kon worden geput en geciteerd. Het beweegt deze historici te schrijven dat er in ‘de Nederlandse cultuur van die dagen een ongekend hoog aantal “boodschappen” werd gepubliceerd, waarvan zowel het genre als de status onvast waren geworden. (…) Het culturele leven was zo informeel geworden, dat het nauwelijks meer begrenzingen leek te hebben.’[7] Dit beeld wijkt niet allen sterk af van de cultuur van het Verenigd Koninkrijk, maar ook van de Franse, waar de hoge esthetische normen juist sterke barrières waren, zoals we zagen bij Ernaux. De gevolgen waren navenant anders. Waar de begrenzingen in andere landen in stand bleven, losten ze in Nederland ogenschijnlijk op in de ervaringen van de nieuwe grijze middenklasse. In Nederland vond een consecratie maar in feite ook een begrafenis plaats van de ervaringen uit de jaren vijftig. In plaats van dat ze toegankelijk werden gemaakt, konden ze in de boeken van deze culturele emigranten enkel nog onder het patina van de welvaartsmaatschappij schitteren in al hun wansmakelijke kleinburgerlijkheid.
            Het werk van deze literaire popartschrijvers (waarvan Heere Heeresma de bekendste is) staat niet erg hoog aangeschreven, maar Ruiter en Smulders stellen terecht dat hun optreden een sociale en culturele gebeurtenis was van de eerste orde. Ruiter en Smulders noemen ze ‘culturele emigranten’, maar we zouden ze evengoed of misschien zelfs beter klassenmigranten kunnen noemen. Zij beleefden immers niet alleen een overgang van de ene cultuur in de andere. In deze ’postmoderne parvenu’s’ leefde de logica van de oude standenmaatschappij eigenlijk voort. Ook deze parvenu’s botsten, net als hun negentiende-eeuwse evenknieën, immers op het feit dat zij zich nieuwe culturele codes hadden eigen gemaakt, maar vervolgens in een niemandsland waren beland. Het verschil is dat zij de overgang niet op tragische wijze beleefden, maar hun passage op uitbundige wijze verhieven tot een stijl waarin zowel nostalgie als afkeer doorklonk naar hun eigen kleinburgerlijke of arbeidersmilieu. De weemoedige retroverhalen die ze schreven ‘vertaalde[n] ervaringen uit het recente, verzuilde verleden in een nieuw, ontzuild en collectief register.’[8] Ze zorgden daarmee op paradoxale wijze voor een culturele cohesie die voorheen, in het versnipperde Nederland van de verzuiling, altijd ontbroken had. Tegelijkertijd was de milde, minzame wijze waarop zij met dit materiaal omgingen de uitdrukking van hun vrijgevochtenheid die, heel anders dan in de omringende landen, zonder slag of stoot was veroverd – een aardige karakteristiek van de algehele culturele dynamiek van de jaren zestig in Nederland, waar de protestgeneratie nooit was gedwongen om haar politieke programma ideologisch te expliciteren. Ze had haar vrijheid in de schoot geworpen gekregen. [9]
            De individuele ontsnapping via een ironische stijl werd zo de centrale literaire norm van Nederland. De beroemdste vertegenwoordiger van deze exitstrategie is Gerard Reve, die van alle schrijvers het verst ging in zijn spel met de idiomen van de verzuiling. Op het moment dat de katholieke zuil ineen zeeg, vlijde hij zich met veel aplomb in de inmiddels verschrompelde schoot van de moederkerk. Reve speelde zo in feite dubbelspel, door niet alleen een antiburgerlijke burgerlijkheid te omarmen, maar er ook weer afstand van te nemen. Waar veel culturele emigranten gefascineerd hun eigen intrede in de hogere middenklasse beschreven, ging Reve een stap verder. Hij doorzag dat ze, wanneer ze eenmaal ‘aan de andere kant’, bij de ‘tot in extase verheven lulligheid’, om met Louis Ferron te spreken, waar de Zeventigers aanbeland waren, ook een verlieservaring hadden doorgemaakt. Dat verlies komt bij Reve op cruciale momenten aan de oppervlakte en moet bezworen worden in een plechtstatige stijl die zowel een volkse afkomst maskeert als cultiveert en de oude standenmaatschappij met zijn archetypische figuren monumentaal maakt.
            Veel meer dan een definitieve afrekening met de ideologische residuen van de moderniteit, het beeld dat Ruiter en Smulders van Reve schetsen, is zijn werk zo een poging om de nivellering van de Nederlandse maatschappij tegen te gaan door de gotieke nagalm van het verleden te laten klinken in een door en door geïnformaliseerde, schijnbaar egalitaire en afgevlakte maatschappij. Het werk van Reve zit dan ook vol ideologische en morele spanningen, die bij Ruiter en Smulders – zelf culturele emigranten, die het tijdvak dat zij beschrijven zelf als een bevrijding hebben beleefd en bovendien zelf een product zijn van de naoorlogse mobiliteit – worden gladgestreken en louter als spelmateriaal verschijnen, terwijl ze voor Reve een pijnlijk existentieel en sociaal gewicht hadden. De ‘buitenissige kruisverbanden in de Nederlandse cultuur’ die zij bij Reve signaleren laten dan ook eerder het onverwerkte karakter zien van de modernisering van Nederland na de Tweede Wereldoorlog, die een leegte hadden gecreëerd de bij Reve alleen met gespeelde onverschilligheid wordt tegemoet getreden. Daaronder siddert een metafysische huivering. Zijn invloed als ‘campkunstenaar’ die graaft naar Nederlands clichémateriaal enorm – Ruiter en Smulders spreken van een literaire revolutie – en is dat tot op de dag van vandaag. Zonder Reve immers geen Kellendonk of Grunberg, en zonder Grunberg geen Tobi Lakmaker.
            Deze excursie naar de transklassen van de jaren zeventig is van belang omdat de ironische erfenis van deze jaren de Nederlandse literatuur zeer lang gedomineerd heeft. Wellicht belangrijker nog is dat de informalisering die ermee gepaard ging lang het gesprek over klasse monddood heeft gemaakt en van literatuur vooral het speelgebied van een gearriveerde middenklasse maakte. De typisch Nederlandse afkeer van hiërarchie en humbug suggereert een egalitaire samenleving, maar maakt sociaal-economische barrières eerder onzichtbaar – of werpt er nieuwe op – dan ze af te breken. Dat blijkt prachtig uit het werk van een Friese transklassesnchrijver, die nog in de jaren negentig zijn geestelijke ontworsteling uit het standsbewuste Friesland van de jaren veertig en vijftig beschrijft, maar ook nooit helemaal arriveert in de grootstad.
            De roman Piksjitten op Snyp (1999) van de Friese schrijver Josse de Haan, vertaald in het Nederlands onder de titel Kikkerjaren, is daarvan een schitterend voorbeeld. De roman bestaat uit twee vertelstromen. De ironische aankomst in het nieuwe milieu staat centraal in de delen die zich afspelen in Grootstad A., waarin een alter ego van de schrijver, De Grutsk (De Grote) woont. Hij verblijft niet in de spreekwoordelijke grachtengordel, maar bewoont een flat in de bij naam genoemde wijk De Bijlmer. In A. ademen we helemaal de sfeer van de reviaanse campkunstenaar, die een spel speelt met de codes en ironische vormen van de Nederlandse maatschappij, waaronder het grote drama van de seksuele bevrijding. Dit deel is een groteske (zelf)parodie. Het milieu van afkomst daarentegen wordt beschreven door de ogen van De Lytsk (De Kleine) in een allesbehalve ironisch register, integendeel juist heel zuiver, waarbij het wrede, allesbehalve idyllische karakter van de plattelandse standenmaatschappij schrijnend naar voren komt. De roman maakt zo, in zijn formele keuzes al duidelijk dat het ironische realisme als stijl een comfortabel bezit is van een gearriveerde klasse. Hij illustreert dat het gevecht tegen de verzuiling in Friesland, door kunstcriticus Huub Mous ‘de laatste zuil van Nederland genoemd’, eigenlijk nog heel lang actueel bleef, temeer daar de Friese literatuur in de jaren tachtig en negentig, toen deze roman ontstond, nog altijd beheerd werd door de ‘kosmyske’, dus religieuze erfgenamen van het oude Friesland, die het christelijke en agrarische karakter van de provincie het liefst vertroetelden. Dit asynchrone karakter van de modernisering van Nederland, en de formele gevolgen die het heeft, is een onderbelicht aspect bij Ruiter en Smulders.
            Ook de nieuwe generatie transklassen sluit bij deze erkenning van oude en nieuwe ongelijkheden aan. Een van hen is Nadia de Vries, schrijver, redacteur van nY, en medesamensteller van dit themanummer. In haar ‘noot’ bij Overgave op commando (2025), haar laatste, voor de Libris Literatuur Prijs genomineerde roman, schrijft ze dat klassenverschillen in Nederland allesbehalve tot het verleden behoren. Haar hoofdfiguur Schelvis krijgt hierin een archaïsch register – een verwijzing naar de taal en vorm van de negentiende-eeuwse sociale romans als Oliver Twist van Charles Dickens – dat door sommige lezers op grond van een plat realisme werd afgewezen als onwaarschijnlijk voor een Beverwijks personage afkomstig uit de lagere klasse. De Vries verweert zich tegen deze kritiek door de satirische laag te benoemen van haar roman. ‘Door met alle sociale groepen – inclusief mijn eigen – evenveel de spot te drijven, kan ik de lezers laten lachen, ze op een organische wijze vraagtekens laten zetten bij hun eigen sociopolitieke opvattingen. Deze komische aanval heb ik zorgvuldig voorbereid. De bloemrijke woordenschat van Schelvis is er onderdeel van.’ De Vries zet zo de ontregelende omgang met registers in het Nederlands voort, maar verhoogt de inzet: geen ‘verkleefde onthechting’, maar sociale hiërarchieën blootleggen door het gebruik van een literaire taal waarvan ze haar beheersing toont. Zo wreekt ze haar ‘vroegere, uitgelachen zelf’ en ontmantelt ze de sociale structuur die haar buitensloot op grond van haar afkomst.
            We namen in dit nummer nieuw proza op van twee transklassen. Leon Verraest stuurde ons een aantal fragmenten uit hun roman in wording Tekst en uitleg. In hun eigen woorden is dit ‘het coming-of-ageverhaal van een West-Vlaams meisje dat in de jaren negentig en begin 2000 opgroeit met haar moeder in een sociale woonwijk op de Belgische taalgrens. Een boek over de macht en het geweld van normen en (taal)grenzen en een reflectie op leren, groeien en anders-zijn.’ Verraest voegt daaraan toe dat ‘een taal vinden, een roman schrijven, toetreden tot “de literatuur” [hen] lang onmogelijk leken’. Hun in het West-Vlaamse dialect geschreven proza laat zien dat de Vlaamse situatie in veel opzichten afwijkt van de Nederlandse, niet het minst door de taalsituatie, maar wel raakvlakken heeft met de Friese. In Vlaanderen is de overgang van klasse bijna altijd een overgang van taal: van dialect naar Standaardnederlands. Bovendien bleef de standenmaatschappij in België, zeker op het platteland, veel langer dan in Nederland in stand, tot ver in de twintigste eeuw.
            Ook in Tekst en uitleg is dat nog voelbaar. Notabelen als de notaris en de dokter maken er hun opwachting, hiërarchieën hebben een haast negentiende-eeuws aplomb en we ontmoeten ook een ongetrouwde, nieuwe onderwijzeres uit de stad, die in de omgeving van de roman een buitenbeentje is. Dit alles is zonder maniërisme opgeschreven, wat ook geldt voor het aan Louis Paul Boon herinnerende zinsritme. Dit is geen proza dat voor de Hollanders een Vlaamse couleur locale opvoert, maar het gebruik van dialect als politieke daad. Het opgroeiende meisje probeert zich een weg te banen door het mijnenveld van sociale codes, maar lijkt de maatschappij enkel als een autoritair orakel van Delphi te kunnen tegemoet treden. ‘Het orakel had gesproken. En als het orakel gesproken had, was ‘t enige dat gij nog mocht zeggen ‘merci’.’ De West-Vlaamse grensregio sluit in feite veel meer aan bij de verticale Franse organisatie van Jaquet en Bourdieu dan bij de informele Nederlandse horizontaliteit. Dit blijkt ook uit de tekst van Lander Govaerts, die aansluit bij een Vlaamse traditie van minutieuze ruimtebeschrijving à la Pleysier of Robberechts. Hier geen groots narratief van sociale mobiliteit, maar eerder microrealisme. Frenetiek betast Govaerts de ruimte tussen het private en het publieke. Deze tekst lijkt evenmin een voorbeeld van een nieuwe literatuur rond arbeid, maar roept eerder de verstikkende ruimte rondom arbeid op, die alles kleurt en overal binnendringt. Zelfs de wc, een van de weinige plekken waar men geen sociale rol hoeft aan te nemen, lijkt niet langer gevrijwaard.
            De onzichtbaarheid van klasse in het egalitaire Nederland wordt nog complexer wanneer we kijken naar de verwevenheid met migratie. Voor de transklasse met een migratieachtergrond is de sociale stijging immers nooit een louter sociaal-economische kwestie, omdat afkomst en klasse elkaar hier overlappen. Hier komt het cruciale inzicht van de Brits-Jamaicaanse socioloog Stuart Hall in beeld, die stelde dat ‘ras de modaliteit is waarin klasse wordt beleefd’. Dit blijkt ook uit het korte verhaal van Mira Aluç dat we opnamen. Daarin ontmoeten we Kemal en Camille Karahan, vader en dochter. Camille is een jonge Turkse vrouw met een typisch Franse voornaam en een oer-Anatolische achternaam, die haar vader nauwelijks weet uit te spreken. Dit verhaal over sociale daling en gefnuikte verwachtingen dat door de generaties heen grijpt laat de betrekkelijkheid zien van het leven in twee werelden. De auteur suggereert dat de materiële realiteit van sociale daling ook een nieuwe gedeelde ruimte vormgeeft, die niet in tweeën is gesplitst door de angst te vallen of de wens te stijgen.
            Hoewel transklassen voornamelijk narratief proza schrijven, gingen we voor dit nummer ook op zoek naar poëzie. Steve Marreyt voegt een heel andere toon toe aan dit nummer: woede, venijnige humor en zelfs wrok. Hier is, net als bij Nadia de Vries, een transklasse aan het woord die de aspiraties van de lifestylende middenklasse op de hak neemt (‘want voor we met zijn allen / op het land gaan werken / moet alles in de prak’), maar ook zichzelf niet spaart (‘het was de wijn zonder toegevoegd sulfiet / die mijn intenties openbaarde / en mijn afkomst verried’). Hannah Yamin Zaouad kijkt over de kloof heen die hen scheidt van de vorige generaties (‘mijn oma kan niet schrijven en / ik lees boeken over bevrijding’), tussen theorie en ervaring (‘het bekke brokkelt en hoort op de universiteit verhalen over / de bevrijding van de arbeidersklasse’). Over die vervreemding heen, die zich onder meer uit in en bezwerende herhalingsdwang en frenetieke doorhalingen, doet de dichter spreektalig verslag van hun gespartel in het tussengebied. De taal wordt brokkelig en onvast en eindigt daar waar de eigen hardheid in vraag wordt gesteld. Een open einde, passend bij een nummer dat zelf op de drempel lijkt te staan van twee werelden: een waarin sociale mobiliteit tastbare realiteit was, of in elk geval een lonkende belofte, een precaire wereld waarin sociale daling en krimp en niet expansie of consolidatie literaire vormen voortbrengen – en hun politieke potentieel vormgeven.

Buiten het dossier publiceren we een reeks gedichten van Sofie Verdoodt uit haar nieuwe dichtbundel in wording. Ook publiceren we een gedicht van Roelof Schipper en de eerste bijdrage van onze nieuwe gastschrijver, Zindzi Tillot Owusu. De drie gastbijdragen van Tillot Owusu zullen aan het einde van 2026 gebundeld worden in een speciale uitgave. Dankzij de hernieuwde steun van Literatuur Vlaanderen kunnen we zo minstens de komende drie jaar opnieuw een vierde uitgave uitbrengen, naast de drie tijdschriftnummers die we uiteraard blijven maken. Abonnees van nY ontvangen deze uitgave automatisch.

[1] De verwijzing naar Kaoutar Harchi werd ontleend aan Maddison Sumner, ‘État présent: Récits de transfuge de classe’, te verschijnen in French Studies. Safae el Khannoussi’s Oroppa bevat een echo van deze kritiek. In het laatste deel van dit boek laat zij de anonieme dichteres, een vluchteling in Parijs, een Franse sociale stijger ontmoeten die zich dankzij het Franse onderwijs ontworstelt aan zijn milieu en onzeker wordt over zijn positie. Op de dichteres komt zijn sociale positie betrekkelijk veilig over, in tegenstelling tot haar eigen migratiegeschiedenis. Haar ervaringen zijn immers nog veel minder leesbaar binnen het homogene verhaal van de Franse natie.

[2] De Nederlandse auteur Lenette Schuijt hanteert wel de term transklasse in haar boek Transklasse. Over het leven in twee werelden (2023). Overigens presenteert de auteur de transklasse als een aanwinst voor bedrijven en organisaties. Diens aanpassingsvermogen en flexibiliteit, het resultaat van een dubbel bewustzijn, zijn immers gegeerde kwaliteiten in het hedendaagse kapitalisme. De transklasse als neoliberaal modelsubject. 

[3] Dylan van Rijsbergen, De net-niet-elite. Hoogopgeleiden tussen macht en meritocratie, p. 83. De voorgaande twee paragrafen zijn grotendeels gebaseerd op het hoofdstuk ‘De opkomst van een hoger geschoolde middenklasse in Nederland’ uit dit uitstekende boek

[4] Dit argument werd ontleend aan De conservatieve revolte (2018) van Merijn Oudenampsen, die uitgebreid ingaat op het ontbreken van een politiek-intellectuele cultuur in Nederland.

[5] De term ‘informalisering’ is afkomstig van Cas Wouters.

[6] Ruiter en Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland, p. 313.

[7] Ruiter en Smulders, ibid. p .313.

[8]   Ruiter en Smulders, Literatuur en moderniteit, p. 319. De voorgaande twee paragrafen konden niet geschreven worden zonder hoofdstuk XII uit dit boek, ‘De grabbelton van de literaire popart’. Dit geldt ook voor de zinsneden gewijd aan Gerard Reve, wiens werk ik wel tegen de draad in van hun interpretatie lees.

[9] Uiteraard bestonden er andere tendensen en bewegingen, zoals het Nijmeegse ultramarxisme rond SUN of de Rastergroep. Zij slaagden er echter niet in om een nieuwe intellectuele cultuur te vestigen en werden gemarginaliseerd door een nieuw anti-intellectualisme. De sociaaldemocratische denker Lolle Nauta wijst De sociaaldemocratische denker Lolle Nauta wijst in ‘Achter de zeewering’ (opgenomen in de bundel De kleine factor) op het dempende effect dat van de verzuiling uitging. Daardoor was niet alleen de fysieke, maar ook de intellectuele mobiliteit in Nederland aan banden gelegd. Na de ontzuiling bleef hiervan een geïnstitutionaliseerde tolerantie over. Het gevolg was een intellectueel klimaat van het midden, waarin consensus het hoogste goed was, niet de choc des opinions.