de commune als vorm – met Kristin Ross in de Donderberg ZAD

Vanaf 11 oktober 2024 heeft zich in Brussel een ZAD (Zone à Défendre) gevormd aan de buitenrand van de stad, in het Donderberggebied in Laken. Met hun bezetting wil het collectief ‘Donderberg Sauvage’ een stuk wilde grond van drie hectare beschermen waar de biodiversiteit al tien jaar lang wordt bedreigd door de bouw van een school. Onder de naam ‘Save Donderberg’ vocht een groep buurtbewoners het stadsproject al jarenlang juridisch aan, maar toen afgelopen zomer de vergunning van de bouw officieel werd toegekend, werd duidelijk dat legaal verzet niet volstond. Een groep anarchisten en eco-activisten besloot het stukje grond te bezetten en met hun lichamen te beschermen door er te gaan wonen. Dit had succes: in december werd aangekondigd dat de school niet zou worden gebouwd, maar dat er in plaats daarvan een park zou komen.

 

Ik bezocht de leden van Donderberg Sauvage voor het eerst toen zij net de eerste slaaphutten in bomen aan het bouwen waren en naast mij ook andere buurtbewoners langskwamen om eten te brengen en de actievoerders te steunen. Een aantal weken later, vlak nadat de overwinning bekend was gemaakt, keerde ik terug. Het vroor en sneeuwde en ik bracht datgene mee waar ze zo dringend om hadden gevraagd in hun hulpgroep op Signal: brandhout. In de maanden sinds ik er voor het laatst was geweest, had het collectief naast boomhutten ook een huisje op de grond gebouwd en was de keuken flink uitgebreid. Onder een zeil dicht bij een knetterend houtvuurtje sprak ik met een aantal van hen over het succes van hun bezetting, maar ook over het feit dat dit geen voldoende reden was om het stuk grond te verlaten: eerst moest duidelijk worden wat er in de plaats zou komen, hoe het park er precies uit zou komen te zien. Een van de leden van het collectief, die al eerder op andere bezettingen in Frankrijk had gewoond, bracht in dat deze ZAD voor hen om meer ging dan de bescherming van dit stukje grond: ‘Deze plek staat voor een bepaalde manier van leven, collectief, zonder geld en met de natuur, die ik graag wil beschermen. Eigenlijk zou het niet eens zo dramatisch zijn als hier een school zou komen. Er zijn andere projecten in de wereld, en in ons land, die veel schadelijker zijn en waar veel meer industriële en economische druk achter zit. Er zal in de komende vijftig jaar nog heel veel verzet nodig zijn tegen agro-industriële, fossiele en militaire infrastructurele projecten. Ik ben ervan overtuigd dat hiervoor een bepaalde verzetspraktijk verspreid moet worden en daarmee wordt Donderberg ook een plek waar we ons op die andere gevechten kunnen voorbereiden.’

                                               ***

“A struggle that is at the same time a way of life”, is misschien wel een van de meest heldere formuleringen van ‘the commune form’, zoals Kristin Ross die in haar nieuwste, gelijknamige boek uitwerkt. Tegelijk heeft ze allesbehalve een definitie, deze ‘vorm’ die zich toont en wordt geproduceerd wanneer gemeenschappen een plek beschermen. Het is geen concept of abstractie maar een constant veranderende en geïmproviseerde formatie of reeks processen die desondanks toch herkenbaar zijn in materiële territoriale verzetsgeschiedenissen (waarvan ik er verder een paar zal uitwerken) en in hun hedendaagse echo’s, zoals Donderberg. Wat deze historische momenten met elkaar delen is dat in het verdedigen van een plek coalities en daarmee gemeenschappen zijn ontstaan die op hun beurt weer het verdedigen waard werden.

 

Het is moeilijk om de verschillende boeken van Ross uit elkaar te houden, met zoveel ‘communes’ in de titels en door elkaar lopende versies in het Frans en Engels. Ook het meest recente boek van de Amerikaanse theoreticus en leerling van Fredric Jameson, die gedeeltelijk in Parijs woont, verscheen eerst in het Frans (vertaald door Étienne Dobenesque), onder de titel La Form Commune, en pas later in het Engels, als The Commune Form, met als ondertitel ‘The Transformation of Everyday Life’. Het boekje is een pamfletachtige samenvatting van de ideeën die Ross de afgelopen twee decennia uitwerkte over historische (voornamelijk Franse) opstanden, van de Parijse Commune (Communal Luxury, 2015) en Mei ’68 (May ’68 and its Afterlifes, 2002) tot uiteenlopende ZAD’s en het belang van de notie van ‘het dagelijkse leven’ (The Politics and Poetics of Everyday Life, 2023) hierbinnen. Wie deze werken van Ross heeft gelezen, zal in The Commune Form geen radicale nieuwe inzichten vinden, maar het boek maakt de lezer wel deelgenoot van de reis die zij in het afgelopen decennium aflegde van het centrum naar de periferie. Ross deed al iets vergelijkbaars toen ze in Fast Cars, Clean Bodies de modernisering van Frankrijk onderzocht in het licht van de dekolonisatie van Algerije, een kolonie die zowel perifeer was als centraal stond in de Franse verbeelding: het land werd als een provincie, een departement van de Franse natiestaat beschouwd. De periferie in The Commune Form ligt echter in Frankrijk zelf, op slechts kilometers van wat doorgaans als de centra beschouwd wordt. Om deze periferie te begrijpen, moeten we onze blik van de stad afwenden en op het platteland richten. Ross haalt hiervoor twee argumenten aan: ten eerste hebben experimenten met andere vormen van leven, in quasi-afzondering van staat en markt, zich de afgelopen decennia veel gemakkelijker kunnen ontwikkelen buiten grote steden. Daarnaast werden boeren in het metropolitane linkse discours in Frankrijk altijd verwaarloosd, terwijl ze een sleutelrol hebben gespeeld in vele grote historische opstanden. Wat gebeurde er op het platteland terwijl onze blikken, in eerste instantie ook die van Ross zelf, op de stad waren gericht? In The Commune Form neemt Ross ons mee langs de Larzac, de ZAD de Notre-Dame-des-Landes, het gevecht tegen Narita Aiport in Japan en Stop Cop City in Atlanta, en exploreert de manier waarop hier coalities zijn ontstaan tussen enerzijds de mensen die hun lokale (woon)plek verdedigen tegen de destructieve aanleg van nieuwe infrastructuur, en anderzijds mensen die zich bij de strijd voegen om de kapitalistische structuren aan te vechten die aan deze projecten ten grondslag liggen.

 

***

In haar boek over de Parijse Commune uit 2015 schreef Ross over de noodzaak van esthetiek en schoonheid voorbij kapitaalaccumulatie, een ‘communal luxury’ (tevens de titel van het boek) waarin het goede, mooie alledaagse (samen)leven esthetisch gewaardeerd wordt. Denk aan de viering van reproductieve arbeid, het mooi maken van de buurt, het huis, de plekken en momenten van samenkomst. Kunst bevindt zich volgens Ross niet alleen in salons, maar juist ook in deze gemeenschappelijke momenten van weelde, die onderdeel uitmaken van de organisatie van het ‘gewone leven’. Interessant genoeg bracht dit boek haar datzelfde jaar bij de ZAD in Notre-Dame-des-Landes, buiten de stad. Deze ‘moederZAD’, zoals ze liefkozend door anarchisten over heel Europa wordt genoemd, heeft dankzij een bezetting van meer dan tien jaar de bouw van een vliegveld weten te stoppen. ‘Met modderlaarzen aan begaf ik me voor de eerste keer naar de ZAD’, beschrijft Ross de manier waarop ze, zowel fysiek als in haar denken, steeds verder de modderige periferie in trok. De leden van de ZAD wilden meer leren over de Parijse Commune, als inspiratie voor de eigen strijd. Hun uitnodiging aan Ross om hen over dit historische moment te leren staat in contrast met, maar is ook een levend bewijs van de manier waarop Ross over geschiedschrijving en het politieke geheugen denkt. Het verleden is volgens haar niet iets wat we moeten gebruiken om lessen uit te trekken voor de toekomst; in het heden worden dingen uit het verleden zichtbaar, worden we ons bewust van de verzetsgeschiedenissen die nog doorleven, van hun ‘afterlive’ of zoals ik het eerder noemde, hun echo’s. Verzetsgeschiedenissen zijn geen lesmateriaal, het is vooral de kunst ze te herkennen in het nu. Zo vertelde Ross in een interview dat ze Communal Luxury begon te schrijven omdat het verhaal van de Parijse Commune zich tijdens de pleinbewegingen van 2011 plotseling weer aan het heden begon op te dringen. Het werd duidelijk dat de gebeurtenissen uit 1871 nog voortleefden op pleinen over de hele wereld. Als we die lijn volgen gaat het er niet om wat de Notre-Dame-ZAD van de bezetting uit 1871 kon leren, maar op welke manier de hedendaagse bezetting historische momenten naar boven haalt en in een nieuw licht kan plaatsen. Ross is geïnteresseerd in de perifere verhalen die dan tevoorschijn komen, in de actoren en coalities die niet genoemd worden in de grote geschiedenisboeken.

Een voorbeeld daarvan is de onmiskenbare maar ook genegeerde rol van de boeren tijdens de Parijse Commune in 1872. Ross citeert de anarchist-geograaf en overlevende van de Parijse Commune Élisée Reclus, die stelde dat boeren ‘systematisch geweerd werden uit de vertogen en beelden van links’. Aangezien links zo geconcentreerd was op de stad, miskende het de opkomst van een ‘agricultural left’, ook in de tweede helft van de twintigste eeuw: de beweging van de ‘Jeunesse Agricole Catholique’ in 1940 en 1950 verdedigde het belang van de boeren en in het begin van de zomer van 1968 begonnen stedelijke revolutionairen, vooral maoïstische studenten, aan hun lange mars richting het platteland. Zo ligt Notre-Dames-des-Landes vlakbij Nantes, een plek met een rijke verzetsgeschiedenis, waaronder een grote opstand in ’68 (‘The Nantes Commune’), die zich afspeelde in de schaduw van de uitbraken in Parijs. Een ander voorbeeld is de bezetting in Larzac die de hele jaren zeventig besloeg, waarin duizenden militanten en werkers uit Parijs naar Larzac trokken om zich, onder leiding van de boeren, te verzetten tegen de bouw van een militair kamp. Ondanks het massale karakter en uiteindelijke succes van de beweging werd ze lange tijd toch vooral gekoppeld aan de gelijktijdige opstand van de Lipfabriekswerkers in Basançon. Met de opkomst van de moederZAD in Nantes kreeg Larzac nieuwe aandacht – niet als een ‘afterthought of the long 1960’s’ of als broertje van de Lipstakingen, maar als een uitzonderlijk succesverhaal van verzet en coalitievorming tussen stad en platteland. Een verhaal dat vervolgens doorleefde op een stuk moerasgrond in Notre-Dame-des-Landes.  

Een belangrijk boek over ‘de militante paysans’ is volgens Ross Les paysans dans la lutte des classes (1970) van de militante boer Bernard Lambert. In dit pamflet werkt hij uit hoe jonge boeren, die te maken kregen met de influx van industrieel en financieel kapitaal in het Franse platteland, allang ‘geproletariseerd’ waren. Hij legt uit hoe deze boeren vanuit hun geëxploiteerde positie een revolutionair subject zijn. Ross vergelijkt het boek met Les damnes de la terre van Frantz Fanon en Le deuxième sexevan Simone de Beauvoir: niet alleen omdat die teksten voor zoveel ophef zorgden en zo breed gelezen werden, maar vooral omdat hierin een nieuwe politieke subjectiviteit een stem krijgt. De boeren worden hier opgevoerd als verdedigers van de aarde, die weten hoe ze met het land moeten omgaan, hoe het te voeden in plaats van te vernietigen, op een manier die niet draait om economische winst, maar om collectieve organisatie op het niveau van levensonderhoud. Ross heeft het hier specifiek over lokale landbouwprakijken van kleine boeren die niet uit zijn op economische groei in hun familiebedrijf. Dit soort boeren zijn ‘residuen’, ze dragen kenmerken van de voorbije tijd in zich, van een verleden dat overleeft in een heden waarmee ze in botsing komen. Als boeren hun anachronistische leefwijze inzetten om hun conflict met het heden vorm te geven, kunnen ze ‘sand in the gears of the army tanks’ worden, en daarmee: een essentieel onderdeel van de communevorm. In Larzac riep Lambert in een toespraak voor 100.000 mensen (waaronder een grote delegatie van de Lipfabriekswerkers) op tot een huwelijk tussen de boeren en de werkers.

 

Voor de communevorm is niet alleen de bescherming, maar ook het gemeenschappelijk gebruik van de grond, door er op en van te leven, van groot belang. Dit heeft twee redenen: ten eerste biedt het een autonomie die nodig is voor het ontwikkelen van gemeenschappelijke praktijken, en ten tweede wijst Ross de vervreemding van het land aan als de meest primaire bron van vervreemding die mensen hebben ervaren. Deze relatie kan hersteld worden, en door vervolgens ook nog zelfvoorzienend te zijn ontstaat de mogelijkheid van een gemeenschap die tijdens de verdediging van het land een manier van samenleven creëert die vervolgens het verdedigen waard blijft. Toen Ross voor de eerste keer de Notre-Dame ZAD bezocht, viel haar op hoe er werd geleefd in toegeëigende tijd, buiten de temporaliteit van het kapitalisme, en hoe dit mogelijk werd gemaakt door de continue creatie van gemeenschappelijke ruimte. In deze ZAD was dat direct gelinkt aan het werk op het land en de eigen voedselproductie. Dit is al minder direct aanwezig bij bijvoorbeeld de bewoners van Donderberg, in hun stedelijke ZAD.

Als ik aan Donderberg Sauvage vraag of ZAD’s volgens hen een meer gebruikte strategie zouden kunnen zijn binnen stedelijk verzet, zoals ook hun bezetting niet enkel gaat om de bescherming van natuur maar ook over het tegenhouden van een project dat duidelijk gelinkt is aan de herontwikkeling van de Kanaalzone in Brussel, krijg ik het te verwachten antwoord dat er binnen de stad bijna geen te beschermen natuur is, en dat het bezetten van een bouwplaats toch wel afdoet aan de romantiek. Ross draagt in haar boek bij aan die romantiek, door de communevorm zo sterk te linken aan de ideeën van Henri Lefebvre over “menselijke vervulling” en een “volledige manier van leven”. Zonder Ross direct uit de periferie weer de stad in te willen trekken, vind ik het belangrijk om na te denken over de manier waarop ook zonder een directe verhouding tot de natuur onverwachte coalities kunnen ontstaan rondom de verdediging van grond. 

Behalve in terloopse verwijzingen naar de Black Panther Party for Self-Defence en de favela’s in Rio de Janeiro, waar de reorganisatie van het dagelijkse stedelijke leven in eigen handen wordt genomen, geeft Ross op bovenstaande vraag geen bevredigend antwoord. Het hoofdstuk over ‘compositie’, waarin zij op haar sterkst is, kan echter wel inspiratie bieden om hier verder over na te denken. Hierin argumenteert en illustreert ze hoe het verdedigen van grond onverwachte coalities doet ontstaan tussen mensen die het bedreigde land bewonen en mensen die de kapitalistische structuren die hieraan ten grondslag liggen bevechten. Ze leunt sterk op Lefebvre wanneer ze stelt dat de (continue) productie en vormgeving van fysieke ruimte essentieel is in het opnieuw toe-eigenen van het dagelijks leven, waarvan we volgens Lefebvre steeds meer vervreemden. Ook voor coalitievorming is ‘plek’ een onmisbaar gegeven. Waar het onmogelijk lijkt om coalities te vormen die ideologisch op een lijn zitten, blijkt het makkelijker om (letterlijk) gedeelde grond te vinden als er een concrete fysieke – plaatselijke – dreiging is. Een idee of een theoretische overtuiging vraagt om nuances, bij de destructie van land voor een nieuw vliegveld of treinlijn is het simpel: je bent ervoor of je bent ertegen. De strijdleus van de Notre-Dame-Des-Landes was dan ook: “contre l’aeroport, et son monde!” – tegen de fysieke bouw van het vliegveld en tegelijk tegen het kapitalistische wereldbeeld dat daaraan ten grondslag licht. Dit is volgens Ross de reden voor massale gemeenschappen die bestaan uit een diversiteit aan mensen en achtergronden, of zoals zij zelf zegt “componenten”: natuurliefhebbers, advocaten, ouderwetse boeren, hypermoderne boeren, lesbische seperatisten, activisten, winkeleigenaren, nonnen, pensionado’s en tieners. Toch moeten we ook niet al te erg romantiseren hoe divers deze gemeenschappen zijn, want wat Ross niet vermeldt is dat de ZAD’s in Europa toch wel overheersend wit zijn. Stop Cop City, een bezetting in Atlanta uit protest tegen de bouw van een politiekazerne is hier een mooi tegenvoorbeeld van omdat de bescherming van het bos in dit geval samensmelt met verzet tegen politiegeweld. Een zeldzaam moment waarin ZAD en Black Lives Matter elkaar op concrete wijze ontmoeten.

 

De diversiteit binnen die compositie brengt natuurlijk een heleboel tactieken en ideologieën met zich mee, die op het eerste gezicht vaak met elkaar in tegenspraak lijken: vreedzaam protest van natuurliefhebbers, geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid van XR en de radicale of militante aanpak van autonomisten. Ross laat zien hoe in de ZAD van Notre-Dame-des-Landes niet wordt gekozen voor een eindeloze onderhandeling over verschillende strategieën, maar hoe de pluraliteit hiervan juist als een wapen wordt ingezet. Het gaat er dus niet om dat iedereen het eens is over de methoden die worden gebruikt, maar dat verschillende strategieën naast elkaar kunnen bestaan. Er wordt erkend dat deze elkaar niet per se tegenspreken maar aanvullen, en samen voor een sterk verzetsveld zorgen. Deze veelzijdigheid is voor de leden van de Notre-Dame ZAD geen belemmering maar juist een strategie op zich, omdat het de coalitie onvoorspelbaar en onvatbaar maakt en daarmee de tegenstander ontregelt. Maar ook dit is een te romantisch beeld van Notre-Dame ZAD: Ross laat voor haar argumentatie achterwege hoeveel conflicten er wel niet waren over verschillende niveaus van radicaliteit, en hoe het voorstel van de Franse staat in 2018 om de grond aan de ZADisten te geven wanneer ze deze onderling zouden verdelen, zorgde voor een scheuring in de beweging. Enerzijds was er een groep die wilde blijven en hiervoor best (zij het op strategische wijze) met de staat zou samenwerken, anderzijds een groep voor wie het fundamenteel in tegenspraak was met de grondbeginselen van de ZAD om hiervan een legale bezetting te maken.

 

Tijdens mijn bezoek vroeg ik ook de leden van Donderberg Sauvage naar fricties binnen hun collectief. Er kwam meteen een flink aantal voorbeelden naar boven. Zoals de houten ophaalbrug die ik vlak daarvoor was overgestoken. Een deel van de groep was tegen de bouw van die brug geweest, omdat deze een te agressieve uitstraling zou creëren, en te duidelijk zou benadrukken dat het hier tot een conflict met politie zou kunnen komen. In de vergaderingen kwamen ze er maar niet uit. Tegelijkertijd waren het vooral de voorstanders, ‘de meer radicale affiniteitsgroep’ met wie ik op dat moment samenzat, die ook daadwerkelijk op Donderberg sliepen, er de meeste tijd doorbrachten. Ze besloten dat ze op grond hiervan het recht hadden knopen door te hakken – en in dit geval dus om toch een greppel te graven en de ophaalbrug te bouwen. “We wilden niet wachten op een consensus die er toch nooit zou komen. Ik geloof in consensus als een ideaal waar we naartoe kunnen werken, maar op dit moment leven mensen op te verschillende manieren; zo hebben sommigen van ons een baan en anderen niet, wat de betrokkenheid heel erg beïnvloedt. Op urgente en chaotische momenten kun je misschien niet altijd met elkaar akkoord gaan. Ik geloof wel dat we daar echt heel veel zorg voor moeten dragen, om wel naar onze idealen toe te werken en om gevoelig te blijven voor elkaar. Maar op een gegeven moment bepalen de mensen met de meeste macht wat er gebeurt – in onze situatie waren dat diegenen die hier de meeste tijd doorbrachten.” Vanwege de nabijheid tot de stad, is er bij Donderberg Sauvage een grote groep die soms langskomt en een  helpende hand toesteekt, er af en toe een nacht doorbrengt, maar die maakt niet in dezelfde mate als de anderen onderdeel uit van de ZAD als communevorm. Velen uit deze supportgroep hebben een vaste baan, misschien een huishouden om voor te zorgen. Uit mijn gesprek met de leden van Donderberg Sauvage bleek dat degenen die daadwerkelijk hun dagelijks leven wijden aan de plek, vaak ook de meest radicale ideeën hebben. En dat deze ideeën steeds doorslaggevender worden, simpelweg omdat hun aanhangers het meest aanwezig zijn. Dit in zekere mate in tegenstelling tot andere ZAD’s zoals de Notre-Dame, waar sommigen weliswaar tijdelijk aanhaken, maar het grootste gedeelte van de mensen echt op de bezette plek woont. Hier wordt Ross’ nadruk op samenleven zichtbaar: wanneer iedereen min of meer in dezelfde mate betrokken is bij de bezetting en de verdediging van land waarvan iedereen afhankelijk is, wordt consensus misschien niet makkelijker maar wordt het wel een grotere stap om hiervan weg te lopen.   

 

***

 

Zoals Ross terecht blijft herhalen, wordt de communevorm niet in theorie maar in de praktijk gemaakt. Het is in die zin ook niet gek dat er in het boek bijna geen definities van te vinden zijn. Om de communevorm te begrijpen moeten we naar concrete plekken kijken, naar de vormen die daarin zichtbaar worden – het systeem van echo’s dat zulke ervaringen, en de communevorm zelf, zichtbaar maakt voor ons vandaag. Tegelijk kunnen zulke ervaringen op talloze verschillende manieren verteld worden, en dit gebeurt ook. Je kunt je op sensationele wijze focussen op de intriges en meningsverschillen, de grote gevechten met de politie, of juist op de dagelijkse reproductieve arbeid, de rituelen, de urenlange assemblees en de manier waarop contradicties naast elkaar kunnen bestaan. De vorm waarin de verhalen van gemeenschapsvormen worden overgedragen is daarom belangrijk: welke narratieve strategie past het beste bij het beschrijven van de ervaringen van de communevorm? Ross zelf heeft zich veel beziggehouden met de manier waarop verzetsgeschiedenissen worden herinnerd en talig voortleven. Dit doet ze specifiek in haar onderzoek naar de literaire en theoretische nasleep van momenten als ’68, en in het boek The Emergence of Social Space: Rimbaud and the Paris Commune (1985), dat gaat over de manier waarop Rimbauds poëzie en Parijse Commune beter begrepen kunnen worden via elkaar, hoe de literaire en de politieke gebeurtenis elkaar kruisen, ontmoeten en ook in retrospectief nog kunnen openbreken en veranderen[1]. Maar naast deze meer literatuurwetenschappelijke werken, is ook de rest van het werk van Ross gefundeerd in een kritiek op vormen van afrondende geschiedschrijving die gebeurtenissen voorstellen als leidend naar een voorbestemde afloop, een ‘it couldn’t have been otherwise’. Dit soort geschiedschrijving sluit het verleden af, niet alleen als iets dat voorbij is maar ook als een volledig begrepen moment. Zoals ik eerder vermeldde, dringen historische gebeurtenissen zich volgens Ross voortdurend op in het heden, zoals de Larzac in Notre-Dame-des-Landes – om zo opnieuw ter discussie gesteld te kunnen worden. Dit vraagt om een open manier van schrijven, die dicht bij de temporele en ruimtelijke geleefde ervaring blijft van hen die er onderdeel van uitmaken.

 

Waar The Commune Form, door de beperkte lengte en de veelheid aan ideeën die Ross erin kwijt wil, hier soms aan een rooskleurige oppervlakte blijft hangen, vinden we een krachtige en gelaagde narratieve uitwerking van de communevorm in de in 2018 voor Verso door Ross vertaalde en ingeleide bundel The Zad and the NoTAV: Territorial Struggles and the Making of a New Political Intelligence van het collectief Mauvaise troupe. In dit boek komen twee strijdperken samen: één tegen de bouw van een vliegveld in de al veel genoemde regio rond Nantes (Notre-Dame), en één tegen de aanleg van een hogesnelheidstrein in de vallei Valle di Susa in het noordwesten van Italië. Twee massale bewegingen die allebei langer dan een decennium streden tegen de aanleg van een verwoestende infrastructuur, twee verhalen waarvan in elk geval de grote conflictueuze momenten voor veel mensen maar al te bekend zijn.

         De communevorm gaat echter verder dan alleen die momenten van strijd en omvat ook kleine momenten van samenkomst, contingente en persoonlijke gebeurtenissen die klein lijken maar samen gemeenschappelijkheid vormgeven. Mauvaise troupe gebruikt de commune vorm om over de communale ervaringen te schrijven. Ze bouwen hun verhalen op aan de hand van de stemmen van betrokkenen, zoals ook Ross in de inleiding benadrukt: niet als data of als illustraties, maar als bouwstenen van het narratief; niet enkel door strijders, maar door mensen die, vaak jarenlang, samenleven. Belangrijk is daarbij dat het zeker niet alleen de luidste militanten of black-block anarchisten[2] zijn die aan het woord komen, maar ook de lokale schooljuf die het niet langer aankan om kinderen voor te liegen dat de maatschappij wil dat je solidair bent, of een groep 70+’ers die vooral de biodiversiteit in hun buurt willen beschermen. Deze mensen delen geen grote analyses maar juist kleine, persoonlijke verhalen: over hoe iemand ineens in de bar zit naast een truckbestuurder die de hele dag puin van een onteigende ZAD-cabine heeft moeten verslepen, maar eigenlijk tegen de bouw van het vliegveld was en dus tijdens het werk de hele dag naar Radio Klaxon (de piratenradio van de Notre-Dame-ZAD) had geluisterd. Hoe de ZADbewoner na een aantal biertjes hem het adres van zijn baas en de code om het gebouw in te kunnen wist te ontfutselen. Over ‘grasangst’ bij nieuwkomers van de ZAD: hoe deze het vaak moeilijk vinden om afscheid te nemen van asfalt en hun verblijf dus in eerste instantie dicht bij de weg opbouwen. Terwijl anderen juist beschrijven hun relatie, huis, auto en baan te hebben opgezegd zonder ooit nog achterom te kijken: “one zadist shows up early one morning on a blocked road, asking at which barricade it would be best for him to leave his car, since he has decided to live there and doesn’t need it any longer”.

Als in een meerstemmig koor komen perspectieven aan bod, met steeds een eigen toon, die elkaar aanvullen, tegenspreken of gewoon naast elkaar bestaan. Het wordt duidelijk hoe iedereen vanuit eigen motieven en met verschillende vormen van engagement in hetzelfde plan is gestapt, en hoe er steeds voor wordt gestreden deze diversiteit niet het gezamenlijke doel te laten overschaduwen.

Toch dienen de verhalen in The Zad and the NoTAV nog steeds de vormgeving van een zeker succes narratief, en wordt het verhaal verteld door een collectief dat een bepaalde groep uit de ZAD vertegenwoordigt. De recent verschenen Franstalige auteur- en uitgeverloze nichebundel met de simpele titel Histoires de la ZAD de Notre-Dame-des-Landes (2022-2024) gaat nog een stap verder: het boek bundelt 21 interviews en getuigenissen van mensen met verschillende leeftijden en achtergronden die, weken-, maanden- of jarenlang, in de zone hebben gewoond. De verschillende teksten zijn simpelweg naast elkaar gepubliceerd, en bestaan uit ruwe beschrijvingen en transcripties die nauwelijks geëdit lijken te zijn. Het doel van dit boek is om de anonieme massa te bewaren, stelt de inleidende tekst, zonder een enkele stem of een grandioos ‘wij’ of ‘de ZAD’ voorop te stellen. In dit boek geen leiders en geen woordvoerders. “Dit is een bewuste keuze, waarmee we ingaan tegen de vooringenomenheid van de boeken die sinds 2012 zijn gepubliceerd, waar het belichten van bepaalde groepen of individuen die schuilgaan achter het acroniem “ZAD”, dienen om een avontuur dat bovenal chaotisch en collectief is, te idealiseren en te verpersoonlijken.”[3] In het behoud van de chaos toont het boek, met nadrukkelijk meervoudige geschiedenissen in de titel, een compositie bestaande uit componenten in beweging: personages die een plek, en soms een tijd, hebben gedeeld, maar deze elk op hun eigen manier hebben beleefd en die ervaringen hier beschrijven. In een van de bijdragen aan dit boek wordt ‘composities’ afgezet tegen ‘coalities’, terwijl deze in het Frans vaak als synoniem worden gezien: een coalitie bestaat uit groepen met verschillende methoden en doelen die een tijdelijke alliantie vormen om een gemeenschappelijke vijand te bestrijden, een compositie uit groepen met verschillende methoden en doelen die een eenheid proberen te creëren op basis van wat iedereen kan accepteren.

Zo lezen we een tekst van een onzekere en eenzame bewoner die bekent te fiets en tevergeefs op zoek te zijn geweest naar contact en aansluiting met andere ZADisten, een dubbelinterview met twee personen die ons deelgenoot maken van (seksistische, klassisistische en racistische) machtsverhoudingen binnen de ZAD en de manier waarop misschien niet altijd met dezelfde aandacht voor elkaar werd gezorgd als voor de strijd tegen het vliegveld. De continue confrontatie met het simplistische Notre-Dame-succesverhaal stoort hen dan ook erg, geven ze aan, omdat het geen aanwijzingen biedt om het een volgende keer beter te doen. In dezelfde tekst halen zij echter ook herinneringen op aan spontane muziekoptredens en aan de diepe relaties die tussen hen en andere bewoners zijn ontstaan. Terugkerende gebeurtenissen in het boek zijn de politieaanvallen in 2012 (L’opération Cesar) en met name de onteigening in 2018, die steeds vanuit een ander perspectief wordt verteld: was er een mogelijkheid om in samenwerking met de staat de utopie van de ZAD in leven te houden? We lezen hoe de groep die graag wilde blijven zocht naar een strategie om zich niet te laten verdelen (en dus beheersen), maar hoe het zonder de concrete dreiging van het vliegveld (en zijn wereld) steeds moeilijker werd om gemeenschappelijke grond te blijven vinden. Anderzijds lezen we argumenten waarom de keuze tussen “samenwerken of alles verliezen”, zoals deze door de staat werd voorgesteld, enkel zou kunnen resulteren in de tweede optie. Door de vele herhalingen wordt in plaats van een lineair narratief een cyclische structuur voelbaar. En dat is precies de kracht van het boek: door verschillende beschrijvingen van dezelfde situaties parallel te laten lopen en elkaar tussendoor inhoudelijk te laten kruisen zonder ze elkaar te laten verklaren, opent zich een narratief verzetsveld dat bijna ruimtelijk aandoet.

 

Hoe kan het voortdurende proces van compositievorming beschreven worden op een manier die eer doet aan de complexiteit ervan zonder fatalistisch te worden? Die de vreugde van het ‘beschermen’ toont zonder het alledaagse werk en het alledaagse ‘zijn’ dat hiervoor nodig is, onzichtbaar te maken? Tijdens het schrijven van deze tekst organiseerde ik op een van de eerste lenteavonden van het jaar samen met Donderberg Sauvage een vertoning van de Larzac-klassieker Tous au Larzac – Ross zou trots op ons zijn geweest. Bij het opruimen van de geïmproviseerde openluchtcinema vroeg ik hun of ik flarden van het eerder opgenomen gesprek mocht gebruiken voor mijn bespreking van The Commune Form voor nY en of het geen problemen zou opleveren wanneer ik daarin ook de interne fricties aan bod zou laten komen. Tot mijn – wellicht misplaatste – verrassing werd hier luchtig op gereageerd, want volgens de leden “is het juist belangrijk om ook die onderlinge conflicten te delen. Als we dat niet doen vertellen we slechts het halve verhaal, en daar heeft nog nooit iemand iets aan gehad.” Er ontbreken op dit moment nog een heleboel stemmen in het verhaal van Donderberg, maar er is een oefening in gang gezet. Naast alle al opgeschreven verzetsverhalen wordt vandaag immers in verschillende communevormen nagedacht over manieren om de aanwezige diversiteit en complexiteit het beste te vertellen en over te brengen – en over welke toekomsten via die narratieve structuren mogelijk worden gemaakt.

 

 

 

 

[1]             Ross laat zich in dit boek sterk inspireren door Jameson. Een zeer vergelijkbare Jamesoniaanse relatie tussen poëzie en het ‘revolutionaire moment’ wordt verder uitgewerkt in het essay ‘Poetry and Revolution’ van Jasper Bernes dat voor dit nummer werd vertaald.

[2]             Ook al wordt in het boek mooi beschreven hoe in de Susa-vallei ‘iedereen black block is’ – een assertieve poging om zich tegen verdeel en heers strategieën van buitenaf te weren.

[3]             Vertaald uit het Frans door mijzelf.