Gijsbert Pols

Published: 21/05/2010

Tags: politics debate

Vervolg op de discussie n.a.v. de bijdragen over Tiqqun in nY #5. Gijsbert Pols antwoordt op het weerwoord van Joost de Bloois

0

Joost de Bloois reageert met zijn weerwoord op mijn kritische kanttekeningen bij zijn stuk over het Franse schrijverscollectief Tiqqun (nY #5) zoals dat van een sympathisant van een radicaal politiek idee verwacht mag worden: uitvoerig, volhardend, sterk onderlegd en met een behoorlijke dosis dédain jegens diegenen die het licht nog niet zagen. Ik hoop dat De Bloois verder met mij in discussie zal gaan, want de vragen die zijn weerwoord oproept lijken me te belangwekkend om niet te stellen.

1
  • Er valt veel af te dingen op de nogal goedkope tegenstelling theorie/praktijk, waarbij de praktijk bij voorbaat meer waarde krijgt toegekend dan de theorie. Het ‘gelijk’ van Tiqqun (voor zover dat een categorie is die er toe doet) ligt niet in de arrestatie van de ‘9 van Tarnac’ (dat zou ook een dubieuze manier van denken zijn, alsof de beste activist een geketende activist is), noch in het feit dat zij ‘geen woorden maar daden’ tonen. Tiqqun stelt nadrukkelijk dat hun teksten dienen ter verspreiding en uitbreiding van ‘knowhow’ (savoir-pouvoir) - tactische kennis zogezegd, waarbij kennis zeker niet slechts ‘in dienst staat’ van tactiek. Het is juist dit savoir-pouvoir dat een gevoelige zenuw heeft geraakt onder zowel politiek theoretici als politici. De teksten uit Tiqqun en L’Insurrection qui vient maken deel uit van een bepaalde politieke praktijk (die anarchisme, autonomie en postsituationisme samenbrengt). Ze proberen die praktijk te conceptualiseren in dialoog met denkers als (ter linkerzijde) Deleuze, Agamben, en Foucault, (ter rechterzijde) Heidegger, Jünger en Schmitt. Veel van de denkfiguren in Tiqqun zijn te lezen als een poging om van politieke praktijken concepten te maken (zo presenteren ze een fenomenologie van het proletarisch winkelen of zwartrijden; wordt de weigering je te identificeren gekoppeld aan theorieën omtrent desubjectivering; en blijkt het Empire en het verzet ertegen – met zijn agenten in burger en het anonieme Black Block – op de choreografie van antikapitalistische demonstraties). Omgekeerd worden concepten (zoals de homo sacer, de ‘communauté désoeuvrée’, de ‘vluchtlijn’ en het ‘devenir’) vertaald naar bestaande politieke praktijken.
    In feite sluit Tiqqun hiermee aan bij een opvatting omtrent de tactisch-politieke relevantie van kennis die sinds de jaren 70 verdwenen is uit veel hedendaagse, al dan niet academische, politieke fracties (de aansluiting tussen theorie en ervaring is overduidelijk aanwezig in bijvoorbeeld het feminisme of de Autonomia-beweging uit die jaren, waardoor Tiqqun zich graag laat inspireren. Daarom zoekt Tiqqun ook bewust naar modellen uit de jaren 70, ‘zonder de illusies van het nieuwe’).
    Het is de cruciale nexus theorie-praktijk die Tiqqun zo provocerend maakt. Hij maakt van Tiqqun het slechte geweten van het actuele radicalisme. Dit blijkt uit reacties als die van Pols, die in zijn afwijzing van Tiqqun blijft steken in beschuldigingen van naïviteit, utopisme en mystiek. Ik vind die afwijzing overigens helder beargumenteerd en verdedigbaar (hoewel in mijn ogen niet overtuigend), maar het is spijtig dat het precies dat is: een afwijzing en geen poging om Tiqqun’s stellingen door te denken. Het levert namelijk wel degelijk wat op wanneer we Tiqqun serieus nemen, in weerwil van (inderdaad) soms geëxalteerde retoriek en situationistische détournements (hoewel ze veel kritischer staan ten opzichte van Debord en de Situationisten dan hun Franse critici beweren). >

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

De Bloois verwijt mij een allergische reactie op Tiqquns weigering ‘geweld’ onbesproken te laten, een allergie waaraan een algemeen verinnerlijkt politieperspectief ten grondslag zou liggen. Ik denk niet dat dat helemaal terecht is, maar geef toe dat het om een belangrijk punt gaat dat ik mogelijk in mijn eerste reactie heb onderschat. Ik ben het met het De Bloois en de door hem geciteerde Alain Brossat eens waar ze stellen dat het taboe op ‘elke denkbare vorm van gewelddadige actie wellicht het belangrijkste hedendaagse machtsinstrument is’. Elke vorm van afwijkend gedrag loopt momenteel het risico als ‘terreur’ bestempeld te worden. Als Tiqqun daarom vraagt wie ‘geweld’ definieert, dan is dat zeer terecht. 

0

Minder terecht vind ik het als in reactie daarop in een aanslag als die van Karst Tates op Koninginnedag zonder meer een politieke daad wordt gelezen. Mijn allergie geldt de te gemakkelijke mystiek van ‘de orgie, het straatrumoer, de bezetting’. Is het werkelijk daar dat ‘identiteiten en zekerheden op het spel’ gezet worden? Neem bijvoorbeeld het door De Bloois – en Tiqqun – geroemde Black Bloc(k). De Bloois’ idee is dat het bij het Black Block zou gaan om een spontane verschijning die aan identiteit, doel en vorm ontsnapt. Volgens mij wordt het Black Block echter opgebouwd uit individuen die hun identiteit ontlenen aan een amalgaam van punk, anarchisme en slechte techno, resulterend in een nogal uniform geheel. De lifestyle van het Black Block bewijst bovendien keer op keer een welkome agent van het systeem te zijn: hun acties vormen steeds weer een reden om demonstraties te verbieden, gekraakte huizen te ontruimen, parken dicht te gooien en alternatieve projecten onmogelijk te maken, zonder dat daarbij wat dan ook wordt ‘blootgelegd’ of ‘andere mogelijkheden’ ontstaan.

2
  • Een van Tiqquns slogans luidt ‘veralgemeniseer de onrust’. Deze kreet had niet beter in praktijk gebracht kunnen worden dan op 4 mei jongstleden. Tijdens de jaarlijkse Dodenherdenking in Amsterdam zorgde een dakloze man voor grote paniek onder de toeschouwers door middel van een schreeuw tijdens de twee minuten stilte. Deze daad, die overigens niet misstaan had in het repertoire van de Lettristen en Situationisten, is vanuit de ideeën van Tiqqun bezien even politiek als die van Karst Tates een jaar eerder. Zulke daden leggen niet alleen bloot waar de schoen wringt. Het zijn geen artistieke ‘interventies’ die ons enkel tonen hoezeer onze collectieve psyche bepaald wordt door veiligheidswaan of een benauwd identiteitsbegrip. De schreeuw op de Dam laat vooral ook de kwetsbaarheid (of verwarring) van de bestaande orde zien én vormt hierop daadwerkelijk een (inderdaad gewelddadige) inbreuk. In de paniek worden we ‘het levende fundament van onze eigen crisis’, zo stellen de auteurs van Tiqqun.
    In de paniek blijkt dat het ‘organische’ sociale (en individuele) lichaam helemaal niet bestaat, dat er allerhande andere configuraties mogelijk zijn en er ontelbare vluchtlijnen openliggen. De ‘Damschreeuwer’ en Karst Tates stellen ‘identiteiten en zekerheden’ op het spel: juist op het moment dat we onze eenheid vieren, wordt die verstoord door precies diegenen die diezelfde eenheid buiten spel heeft gezet. Het respect en de beheerstheid die tijdens de herdenking worden tentoongespreid , blijken ogenblikkelijk ingewisseld te kunnen worden voor het meest basale egoïsme.
    Tegelijkertijd behelzen zulke momenten ook de kans om de kaarten anders te schikken: om sociale relaties anders te ervaren. Het lijkt me te gemakkelijk om ze als gratuit of contraproductief af te doen. Ik denk niet dat Tiqqun verwacht dat de vluchtende menigte op de Dam ineens een politieke openbaring beleeft en overgaat tot de bevrijdende orgie (al is het moment van paniek een goede illustratie van wat Tiqqun onder ‘orgie’ verstaat). Ik denk dat zij in zulke gebeurtenissen de verschuiving van het politieke, zoals die zich de afgelopen drie decennia heeft voorgedaan, herkennen en willen doordenken. De traditionele plekken een instituten van het politieke (agora of parlement) zijn niet langer machtscentra en de traditionele spelers (naties, partijen, vakbonden etc.) zijn al evenzeer uit het machtsspel verdreven. Het ‘politieke’ bevindt zich dus ergens anders dan in het parlement of het ‘sociaal-culturele’. >

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply
  • Volgens mij is het precies deze verschuiving die Tiqqun – en hierin staan ze in een voor hen ongetwijfeld ongemakkelijke nabijheid met Negri en Hardt – wil aanduiden met ‘Empire’. ‘Empire’ is allesbehalve een abstractie: met die term duiden Tiqqun en het Comité invisible juist de gedecentreerde macht aan, die zich niet 1-2-3 laat lokaliseren maar wel op een uiterst effectieve wijze functioneert.
    In de teksten van Tiqqun wordt die macht in detail geanalyseerd. ‘Empire’ is volgens Tiqqun en L’insurrection qui vient, die hierin Foucault volgen, een aaneenschakeling van schijnbaar geïsoleerde beheersingsmiddelen en –technieken, die zij aanduiden als ‘dispositieven’. Het ‘politieke’ heeft zich verlegd van herkenbare instituties naar deze dispositieven, en is daarmee uiterst verspreid en complex geworden.
    Pols’ scepsis ten aanzien van het politieke gehalte van daden als de schreeuw op de Dam, de aanslag van Tates of de high school shootings waaraan Tiqqun regelmatig refereert betreft, vermoed ik, vooral deze herdefinitie die Tiqqun geeft van het politieke. Tiqqun en L’insurrection qui vient vertrekken vanuit de boude stelling dat in onze tijd het politieke, vanwege zijn ‘fractale’ karakter, allesoverheersend is. In de ‘politieke economie’ domineert het politieke (je zou dit het ‘politieke verzadigingspunt’ kunnen noemen, dat voor Tiqqun als uitgangspunt dient en waarmee zij afstand nemen met de definitie van het politieke als specifiek domein of – in de poststructuralistische variant - zeldzame gebeurtenis). >

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Het is juist op dit punt dat ik een verband probeerde te leggen naar de jaren zeventig. De Bloois stelt dat het ‘geweld’ waarin Tiqqun politieke daden wil zien – behalve Tates en het Black Block het geweld in de banlieues en recent in Griekenland – voortvloeit uit ‘de organisatie en de strategieën van het Empire zelf’. Diezelfde redenering valt aan te treffen in de strategie van de Rote Armee Fraktion. De RAF wilde door het plegen van gewelddadige acties een reactie provoceren waaruit zou blijken dat de staat zichzelf door middel van geweld handhaaft. Die strategie leverde iets op wat een ‘implosie’ van de (parlementair-democratische) staat genoemd worden: opschorting van burgerrechten, een implosie die men zeker als ‘voorgeprogrammeerd’ kan beschouwen. Maar bepaald geen emancipatie. Integendeel: onder druk van de publieke opinie werd het optreden van de RAF aanleiding voor een verregaande intensivering van wat De Bloois beschrijft als het ‘alledaagse staatsgeweld’ dat over de burger wordt uitgeoefend – Fassbinder doelde niet op een complottheorie toen hij in Die Dritte Generation een politiecommissaris liet dromen dat het kapitaal het terrorisme had uitgevonden om de staat te dwingen het beter te beschermen.

3
  • Tiqquns fascinatie voor het Black Block is gelegen in de dubbelzinnigheid van het masker, of wat Pols het ‘uniforme geheel’ noemt. Zeker, de leden van het Black Bock gaan uniform gekleed (met een voorkeur voor onbepaald zwart). Maar volgens Tiqqun is het juist de onpersoonlijkheid van zo’n masker of uniform die maakt dat er (van) alles achter verscholen kan liggen. In de documentaire/video-installatie Get Rid of Yourself van de Bernadette Corporation, waarin teksten uit Tiqqun een prominente rol spelen, komen leden van het Black Block aan het woord. Geen van hen maakt gewag van een voorkeur voor slechte techno (die door het Comité invisible verworpen wordt als ‘het binaire ritme van het digitale kapitalisme’) – ze blijken bien étonnés de se trouver ensemble, en verwoorden hun ervaring als één van constante transformatie en – inderdaad – desubjectivering (dat wil zeggen: van zelfverlies, niet ten faveure van ‘het grote geheel’, maar eerder ten faveure van een ‘devenir’, van het aangaan van per situatie en moment wisselende verbanden).
    De aandacht voor het Black Block in Tiqqun komt voort uit de wil om biomacht en het verzet hiertegen serieus te nemen, en dus niet te vertrekken vanuit vooraf bepaalde identiteiten of politieke eisen. De beschuldiging dat het Black Block ‘een welkome agent van het systeem zijn’ is uiteindelijk op iedere verzetsvorm mogelijk: vakbonden schuiven graag aan bij werkgevers, terroristen dienen ter bestendiging van de uitzonderingstoestand... Uiteindelijk kan alles geïncorporeerd of als excuus voor repressie gebruikt worden. De vraag is echter of die constatering een eind- of beginpunt is.
    Tiqqun verwerpt de avant-gardelogica van de RAF of de Rode Brigades. De auteurs geloven niet in een voorhoede die de massa’s de schellen van de ogen doet vallen, ook niet waar het gaat om staatsterreur of het opschorten van burgerrechten die het onvermijdelijke resultaat van eventuele acties zijn. Zoals Pols zelf zegt: de ‘implosie’ die volgt is geprogrammeerd. Ook hier is de vraag weer: is dat een reden om de handdoek in de ring te gooien? De gemakkelijkste uitweg is om het TINA-principe (There Is No Alternative) te onderschrijven en je bijvoorbeeld de afbraak van sociale rechten en voorzieningen of het groeiende controleapparaat te laten welgevallen.

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply
  • Over strategie valt zeker te twisten, maar het is wel duidelijk dat zonder enige vorm van confrontatie – en die begint precies met het denken over een, al dan niet radicaal, alternatief – verandering niet mogelijk is. (Volgens L’insurrection qui vient laat de huidige ‘crisis van het kapitalisme’ zien dat we niet op de zelfvernietiging van dat kapitalisme hoeven te rekenen: de ‘crisis’ blijkt juist de aanleiding voor een grote intensivering van de neoliberale beginselen).
    Als Tiqqun wil ‘leren’ van de RAF of de Rode Brigades is dat nadrukkelijk niet waar het gaat om het leggen van bommen (Tiqqun maakt steeds een onderscheid tussen ‘gewelddadig’ en ‘gewapend’), maar bijvoorbeeld wel in zoverre ondergrondse bewegingen uit de seventies iets te zeggen hebben over het organiseren van alternatieve communicatiekanalen, of überhaupt organiseren.
    Tiqqun staat geen spontane revolte voor (de banlieues en de rellen in Griekenland tonen volgens hen juist een vorm van alternatieve organisatie). De organisatievorm die Tiqqun voor ogen staat is, wederom, gebaseerd op de forme-de-vie: het is in de vriendschap, in het verlangen, in gedeelde en elkaar intensiverende manieren van leven dat we elkaar moeten vinden (en niet omdat we dezelfde eisen stellen, of een sociale achtergrond delen). >

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply
  • Tiqqun ziet een gestage woekering van dergelijke communes voor zich – waarvan het succes overigens allesbehalve vooraf gegeven is (ik denk dat de irritatie bij veel critici over Tiqqun voor een belangrijk deel ingegeven is door een overschatting van, of angst voor, Tiqquns ambities: hun teksten staan echter bol van nogal defaitistische verwijzingen naar de ‘enfants perdus’ of de Parijse Commune en andere minder geslaagde communistische experimenten).
    De nadruk op de organisatie van die woekering maakt Tiqqun toch echt anders dan de clandestiene groepen uit de voorbije decennia. Het biedt een uitweg uit de impasse die Pols aangeeft (‘actie leidt tot repressie van staatswege’), omdat het veel eerder gebaseerd is op maatschappelijke ‘desertie’, de uittocht uit het systeem, dan op de frontale aanval. De confrontatie ligt eerder in de reactie van de staat, die eigenmachtige claims op soevereiniteit (al is het maar de soevereiniteit van een plattelandscommune) niet kan verkroppen, zoals ook de affaire van de ‘9 van Tarnac’ laat zien. Of Tiqquns gedachte van een communisme gebaseerd op levensvormen die samen ‘resoneren’ zo productief is, is een andere vraag – waarop ik in mijn bijdrage in nY overigens niet het antwoord van de ‘sympathisant’ heb gegeven...

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Misschien heb ik het mis. Het ‘cynisme’ dat volgens Tiqqun door de als politieke daden geïnterpreteerde vormen van ‘geweld’ wordt blootgelegd, is het cynisme waarmee de machtsuitoefening in het ‘Empire’ gepaard gaat. Als voorbeelden van dit cynisme noemt De Bloois onder meer het vertoog over de ‘samenleving’ en ‘normen en waarden’ in tijden van roofkapitalisme. Waarom dit geen kritiek genoemd mag worden, is mij een raadsel, en ook waarom hier weer de grove abstractie ‘Empire’ als oorsprong moet worden aangewezen, maar afgezien daarvan: dít blootleggen lijkt mij meer dan noodzakelijk. Alleen: gaat het Black Block dat voor ons doen? Ik zie dit cynisme op een veel effectiever, een veel concreter manier blootgelegd worden door de acties als die van de groep achter de website 0100101110101101.org. Een voorbeeld: in 2005 ensceneerde de groep op de Weense Karlsplatz de presentatie van een nieuw model van Nike, de zogenaamde Nike Ground. De presentatie werd luister bijgezet door een plan voor een gigantisch Nike-monument en de omdoping van de Karlsplatz in Nike Square. Men deelde flyers uit, vertoonde catchy videos en wachtte de reacties af. In die reacties werd naar mijn idee heel wat meer blootgelegd dan in de brandbommen van Athene.

1
  • Nogmaals: Empire is in Tiqqun allesbehalve een abstractie. De auteurs onderkennen juist de complexiteit van Empire als weefsel van dispositieven, die zowel technologisch, medisch of juridisch als politiek van aard kunnen zijn. Ze proberen dit weefsel te analyseren én te ontrafelen. De nadruk op ‘savoir-pouvoir’ maakt dat deze analyse inderdaad iets anders is dan ‘kritiek’. Net zoals marxistisch of feministisch denken ook meer is dan ‘kritiek’ in de academische zin van het woord: het is onderdeel van een tactiek. Dit ‘savoir-pouvoir’ is dus meer dan ‘blootleggen’ (wellicht dat mijn academische mind set hier leidde tot de verkeerde woordkeuze...).
    Het Nike Ground-project lijkt me juist te blijven steken in een nogal gemakkelijke en gratuite poging tot ‘bewustwording’. Je kunt je afvragen wat er precies zo ‘politiek’ is aan dergelijke – zich niet zelden op een ‘situationistische’ traditie beroepende – initiatieven. Want wat gebeurt er ná de blootlegging? Wordt hier enige vorm van politieke organisatie gestart? In ‘Le problème de la tête’ laat Tiqqun bijvoorbeeld zien dat zulke acties blijven steken in het louter esthetische (en nogal hautain avant-gardistische: hebben de Weners dit project echt nodig om zich bewust te worden van de vercommercialisering van hun stad?) en dat het probleem met ‘politieke kunst’ is dat zij in feite politiek gebruikt als stijlmiddel, en niet meer dan dat. Wat je ook vindt van het Black Block, het toont wel dat ‘tactiek’, ‘organisatie’ en ‘interventie’ geen louter conceptuele of artistieke aangelegenheid zijn.

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Nogmaals: misschien spreid ik hier weer mijn ‘hardnekkig onbegrip’ tentoon, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de situering van de politieke daad in het geweld in de eerste plaats een intellectualistische vorm van radical chic is. Het aanleunen bij een bandje als de Sex Pistols zegt veel: hier lijken mij bleke gymnasiumjongens aan het woord die op het schoolfeest in het donkerste hoekje maar bleven mopperen dat Rage Against the Machine niet werd opgezet.

1
  • Hier moet ik Pols toch echt gelijk geven: hij spreidt inderdaad zijn ‘hardnekkig onbegrip’ ten toon. Je kunt Tiqqun en Le comité invisible van veel dingen beschuldigen, maar ‘radical chic’ zijn ze niet. In plaats van in een hoekje te blijven mopperen – zoals veel ‘radicale’ academici gewoon zijn (maar wie zegt dat Tiqqun bestaat uit gymnasiumjongens die doorgeleerd hebben?) – roepen ze juist op om het feest te verlaten, en belangrijker nog: instituties als de school of de universiteit de rug toe te keren. Het lijkt me dat initiatieven als de commune in Tarnac, kraken, de creatie van alternatieve centra, deelname aan demonstraties en acties toch nog iets anders zijn dan langs de zijlijn te blijven mopperen.

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Dat brengt me bij mijn tweede punt. De Bloois verwijt mij vanwege mijn ambitie tot wereldverbetering naïviteit. Zeer terecht, vermoedelijk, maar ik verkies die naïviteit wel vele malen boven Tiqquns naïviteit waar het hun eigen belang betreft. In mijn eerdere kritiek noemde ik de radicaliteit van Tiqqun narcistisch: wie alles wat er in de wereld fout gaat afschuift op een abstractie als ‘Empire’ is in de eerste plaats bezig een burgeroorlog tegen het eigen slechte geweten te voeren. De levensvisie van Tiqqun, waarin zelfs elke mogelijke vorm van individualiteit als onderdeel van het Empire wordt gezien, brengt bovendien het risico met zich mee dat alle verantwoordelijkheid voor het ‘zelf’ wordt geloosd – we horen onze gymnasiasten zachtjes schelden op de ‘fascisten’ die wel de dansvloer op durven, terwijl hun eigen onvermogen zelfgenoegzaam op het conto van het ‘systeem’ wordt geschreven. De Bloois brengt tegen deze kritiek niet meer in dan dat de voorstelling van narcisme ‘maar moeilijk te rijmen valt met de centrale rol die desubjectivering inneemt in [Tiqquns] denken’. Gelooft hij werkelijk dat met het toverwoord ‘desubjectivering’ alles op te lossen is?

1
  • Om het ‘toverwoord desubjectivering’ nogmaals toe te lichten: Tiqqun en de auteurs van L’insurrection qui vient staan een radicaal andere politiek voor. Een politiek die niet zozeer utopisch is, maar in feite geënt is op huidige vormen van machtsuitoefening. Als die macht inderdaad functioneert als een grote subjectiveringsmachine, die ingrijpt op zowel lichamelijk als psychisch niveau, dan kan het verzet dus niet komen door een nieuw ‘predicaat’ te eisen. Tiqqun weigert een politiek die vertrekt vanuit het klassieke subject, maar vanuit het ex-tatische en het relationele (dat veel lichamelijker en affectiever is). Tiqqun ziet in de ‘subjectieve’ politiek een knieval voor de strategieën van het Empire, dat zich ‘de erfgenaam toont van de klassieke metafysica’ (door voortdurend herkenbare en tegenwoordige identiteiten te creëren). Hiermee gaat Tiqqun op zoek naar een politieke praktijk die aansluit bij filosofische denkfiguren die we tegenkomen bij Heidegger, Deleuze, Agamben etc. (hieronder meer over dit punt).
    Het lijkt me dat Tiqqun dus een poging doet om uit de abstractie te ontsnappen, eerder dan een abstract vertoog toe te voegen. En het lijkt me al helemaal onzin om te beweren dat Tiqqun ‘elke verantwoordelijkheid voor hun positie’ van zich af laat glijden. Een deel van de Tiqqun-groep heeft voor die positie immers een hoge prijs moeten betalen. Bovendien willen ze zoals gezegd niemand de wet voorschrijven: het ‘hoe’ verschilt per ‘forme-de-vie’ (de vrouwenbeweging verschilt van de kraakbeweging, een commune in Zuid-Frankrijk van een in Berlijn, en sommige Black Blockers houden vast van Beethoven...).

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Ik kan me bovendien niet aan de indruk ontrekken dat deze tover een zeer specifieke doelgroep heeft: Europese academici die hun syllabi over het poststructuralisme kennen. Het vertoog dat Tiqqun heeft ontwikkeld sluit perfect aan bij hun discours en biedt hen vervolgens de mogelijkheid elke verantwoordelijkheid voor hun positie in de wereld van zich af te laten glijden – tot en met hun desastreuze espresso aan toe. De Bloois zal hiertegen in stelling brengen dat Tiqqun juist met hun nadruk op ‘lokaal’ en ‘moleculair’ verzet, door het stellen van de concrete vraag ‘hoe te doen?’ met een dergelijke vrijblijvendheid korte metten wil maken. Dat zou een legitiem argument zijn, ware het niet dat Tiqqun de eigen levensvisie propageert. Het ontwikkelen van concrete alternatieven op lokaal niveau  zou inderdaad een stap verder ten opzichte van de Max Havelaarkoffie-drinker betekenen, het abstracte vertoog over die alternatieven is dat echter nog lang niet.

1
  • Eerlijk gezegd begrijp ik dit argument niet zo goed. Ja, Tiqqun ‘schrijft zich in een intellectueel debat in’, maar toch vooral om dit debat deel uit te laten maken van een praktijk (in dat opzicht doen zij hard hun best zich uit het ‘debat’ te schrijven).
    Wat de jongeren uit de banlieues betreft: vanuit Tiqqun bezien zou de constatering veel eerder kunnen luiden dat zij helemaal geen deel willen uitmaken van dit debat. De rellen in 2005 bestempelen als ‘traumatisch’ maakt van die jongeren (die geen boodschap hebben aan officiële benamingen als allochtoon/autochtoon) passieve slachtoffers, die slechts ‘uit wanhoop’ handelen omdat ze eigenlijk een plek in de maatschappij willen.
    Met name L’insurrection qui vient geeft een andere lezing: het is de maatschappij als subjectiveringsapparaat die hier en bloc verworpen wordt. In dit opzicht is er wel degelijk sprake van desubjectivering: de jongeren uit de banlieues laten zich niet verleiden tot deze of gene identiteiten (of ‘predicaten’), tot het stellen van eisen, maar geven de aanzet tot de creatie van nieuwe politieke parameters (in de retoriek van Tiqqun: tot nieuwe vormen van organisatie die de oude instituten – school, werk, justitie enz. - afwijzen). Het is een houding waar ook de ‘sans papiers’ baat bij heeft, omdat het de ‘integratie’ in het systeem (waartoe de ‘sans papiers’ altijd maar ten dele toegang zal krijgen) niet langer als uitgangspunt neemt (en de ‘illegaal’ de vernedering van eindeloze onderhandelingen met het systeem bespaart).

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Om te kunnen ‘desubjectiveren’ moet je eerst een ‘subject’ zijn. Tiqqun opereert heel duidelijk vanuit een specifieke subjectconstellatie: door het hanteren van poststructuralistisch jargon schrijft het zich in een intellectueel debat in, ook als de propaganda tot doel heeft dit debat te steriliseren door elke denkbare kritiek bij voorbaat af te doen als machtsaffirmatie. De allochtone jongeren in de banlieues hebben die mogelijkheid bepaald niet: ik noemde hun geweld nihilistisch omdat het – zoals  Žižek heeft laten zien – geen ander doel had dan het statement te maken ‘ik besta’, vergelijkbaar met iemand die na een trauma zichzelf verwondt om de wereld en zichzelf ervan te overtuigen dat zij of hij nog een levend mens is. De Bloois heeft gelijk als hij stelt dat dit statement op te vatten is als een protest tegen een maatschappij die de jongeren als ‘allochtoon’ brandmerkt, maar dan toch alleen als onderdeel van een weliswaar paradoxale, maar desalniettemin onmiskenbare roep om erkenning als subject binnen de maatschappij waarin ze leven. Hoe terecht Tiqquns aversie jegens de lifestyle ook is: een ‘sans papiers’ heeft beduidend meer aan een intellectueel die voor zijn rechten opkomt dan aan een oproep tot ‘desubjectivering’.

1
  • Deels is dit commentaar te verenigen met de stellingen uit Tiqqun: het gaat om het ‘hoe te doen’, om niet langer een onderscheid te maken tussen zijnswijze en politiek. Echter, het cruciale verschil tussen Sloterdijk/Pols en Tiqqun is de nadruk die de eersten leggen op het individu. Tiqqun claimt, zonder schuldcomplexen, het communisme als bannier (zij het een uiterst onorthodox communisme).
    Leven doe je volgens Tiqqun in meervoud. Alleen de gemeenschap – die, wederom, altijd moleculair, open en eindig is – kan het Empire het hoofd bieden. Het ‘individu’ is een uiterst efficiënte creatie van het Empire. Tiqqun stelt dat we dit individu helemaal niet nodig hebben als uitgangspunt, zelfs niet om het te verlaten.
    De gedachte dat het individu, zelfs als het als Kop van Jut dient, de maat der dingen is, is al imperialistisch, metafysisch etc. en veel minder ‘common sense’ dan Pols aanneemt. Tiqqun neemt juist de herdefinitie van het subject in het 20e-eeuwse denken (van Bataille tot Deleuze) en in de politieke praktijk (van socialisme tot feminisme) serieus. Heel simpel doen ze dat door bijvoorbeeld te constateren dat we een samenspel zijn van herinneringen, affecten, geluiden, aanrakingen etc). Het gaat Tiqqun erom die alledaagse ‘desubjectivering’ te politiseren

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

Mogelijk was mijn oproep om de muur van Melilla te slechten inderdaad naïef, maar ik wil graag een poging doen om mijn ‘fantasme’ te concretiseren, zelfs als concreet antwoord op de vraag ‘hoe te doen?’ Het is het antwoord dat volgens Peter Sloterdijk aan elke ethiek ten grondslag ligt: ‘Du mußt Dein Leben ändern’. Een actuele versie van deze absolute imperatief ontleent hij aan Hans Jonas, en luidt: ‘Handel zo, dat het effect van je handeling verenigbaar is met het voortbestaan van reëel menselijk leven op aarde.’ De volledige vervulling van die imperatief is onmogelijk – daarin kan ik me volledig bij Tiqqun aansluiten. Maar de poging het onmogelijke te realiseren begint met het nemen van de verantwoordelijkheid voor wat je bent, voor datgene wat je eigen positie in de wereld op een globale schaal met zich meebrengt, met andere woorden: voor het eigen individu, ook al heb je om dat individu niet gevraagd. Pas vanuit die verantwoordelijkheid wordt verandering mogelijk.

1
  • Ik vrees dat ik niet kan meegaan in Pols’ zelfkastijding. Hoewel ik – en kan men anders? – zijn eis deel dat ook academici hun leven moeten veranderen, en dan bij voorkeur niet in de richting die de managers van de ‘corporate university’ zouden willen, proef ik ook iets verontschuldigends in deze oefening in nederigheid. Alsof de ‘syllabuskennis’ een handicap is voor daadwerkelijke verandering; alsof bleke gymnasiasten er ook niets aan kunnen doen dat de wereld die zij slechts bestuderen zo oneerlijk is. Hoe je het ook wendt of keert, Tiqqun geeft een duidelijk voorbeeld hoe je leven te veranderen (al is dat in een volstrekt onacademisch leven).
    Dat voorbeeld mis ik bij Pols. Terwijl de voorzetten, of in ieder geval de pijnpunten, voor het oprapen liggen in de huidige academische wereld: inmiddels is de academicus, in al zijn precariteit en flexibiliteit, de modelarbeider van de ‘kenniseconomie’ geworden. Hoe te doen, behalve dit te constateren? Hoe verzet te plegen tegen de instrumentalisering van kennis en onderzoek, de uitholling van onafhankelijk onderzoek, het volledige beslag dat wordt gelegd door het kapitalisme of creatieve, communicatieve en affectieve vermogens? (dit laatste overigens lijkt me aan te geven dat ‘het sociaal-economische’ niet meer te onderscheiden is van ‘andere factoren’, zoals Tiqqun ook stelt).
    Op hun terrein (dat buiten de academie ligt) geven Tiqqun op dergelijke vragen een antwoord. Ik blijf erbij dat Pols, of Zizek, of van mijn part Sloterdijk niet veel verder komen dan het stellen ervan. Over dat antwoord valt zeker te discussiëren, maar ik betwijfel of de zwart/wit-termen die Pols nogal eens hanteert in die discussie wel zo productief zijn.
    Zoals David Harvey het stelt: hoewel bewegingen, als die Tiqqun voorstaat en vormt, niet zijn voorkeur hebben, ‘[they] are unquestionably providing a widespread base for experimentation with anti-capitalist politics.’ (http://davidharvey.org...).
    Omdat het juist dit kapitalisme is dat de afgelopen decennia zichzelf op radicale wijze opnieuw heeft uitgevonden, zijn (tegen-)experimenten broodnodig. Tiqqun nodigt op zijn minst uit om die experimenten te doordenken.
    In ieder geval heeft Gijsbert Pols de uitdagingen waarvoor Tiqqun hun lezers stellen serieus willen nemen. Waarvoor mijn onpolemische dank.

    by Joost de Bloois, 1 year, 7 months ago | reply

En ja, ik denk dat het sociaal-economische bij het nemen van die verantwoordelijkheid momenteel prioriteit heeft, wat niet wil zeggen dat andere factoren niet bestaan. Wij bleke gymnasiasten, wij academici moeten gewapend met onze syllabuskennis beseffen welke sociaal-economische rampen we veroorzaken, alleen al door espressodrinkers te zijn. En dan moeten we als academici ons leven gaan veranderen. Want ook wij kunnen meer doen dan Max-Havelaarkoffie drinken alleen.

0
  • Ik hoop dat Joost de Bloois gaat reageren op de laatste reactie van Gijsbert Pols aangaande Tiqqun. Hun discussie lijkt zich te gaan toespitsen op ‘desubjectivering’. Ik wacht in spanning af. Wat me door deze discussie bovenal duidelijk wordt, is dat de website van nY een te rechtvaardigen verlengstuk kan zijn van de gedrukte nY. Ik zie twee schrijvers die de moeite nemen hun standpunt met argumenten op te tuigen. En dat is een zeldzaamheid in de blogosfeer. Te ondervinden dat er nog mensen zijn die pro deo de moeite nemen zichzelf verstaanbaar te maken zonder te vervallen in getier en stompzinnig gezwam, ervaar ik als bemoedigend. Klasse!

    by Edwin Timmers, 1 year, 8 months ago | reply
Write a general comment