nY
voorheen yang & freespace Nieuwzuid
|
Joost de Bloois weerlegt in 10 punten de lezersbrief van Gijsbert Pols |
✎
0
|
|
In Tiqqun en L’insurrection qui vient treffen we volgende constatering meermaals aan: kritiek is het olifantenkerkhof voor politiek radicalisme. Gijsbert Pols’ reactie op mijn inleiding in de ‘radicale poëtica’ van Tiqqun en het Comité invisible in nY #5 heet toepasselijk ‘Tiqqun – een kritiek’ (en ik ben uiteraard opgelucht Pols de inleiding te horen typeren als ‘kritiekloos’). De teksten van Tiqqun en het Comité invisible vormen inmiddels een belangrijke inspiratiebron voor levend politiek radicalisme, getuige het recente gebruik ervan door activisten in Berkeley, Straatsburg en Athene. Ze zijn allesbehalve kritisch en hebben dan ook weinig verweer nodig. Juist omwille van het potentieel van deze teksten, wil ik slechts de grofste misvattingen uit Pols’ kritiek corrigeren. |
✎
0
|
|
1. |
✎
0
|
|
2. |
✎
0
|
|
‘De burgeroorlog van Tiqqun bestaat daarin de implosie te katalyseren die het systeem zelf over zich afroept. In een systeem dat alles leegmaakt, is de enige mogelijke vorm van verzet de schijn inhouden van het systeem radicaal af te wijzen en absoluut leeg te worden’, schrijft Pols nog. Hij situeert de ‘burgeroorlog’ uitsluitend aan de zijde van Tiqquns Parti Imaginaire. Maar ook in het geval van Tiqqun en het Comité invisible kent de burgeroorlog tenminste twee partijen. In hun analyses van de ‘burgeroorlog’ hernemen zij een klassiek anarchistisch thema. De staat – en bij uitbreiding, het Empire – is in feite gefundeerd op de burgeroorlog. De moderne eenheidsstaat legitimeert zich oorspronkelijk als ‘pacificator’ van religieuze en etnische twisten. Belangrijker nog, de moderne burgermaatschappij bestaat bij de gratie van de permanente voortzetting van de burgeroorlog. Als creatuur van de staat is de ‘burger’ het onderwerp van alledaags staatsgeweld: hij krijgt zijn ‘rechten’ toebedeeld op voorwaarde dat hij zich eerst onderwerpt aan de autoriteit van de staat. Iedere vorm van verzet van die ‘burger’ wordt beantwoord met de inzet van het machtsdispositief van de staat (zoals de arrestatie van ‘de 9 van Tarnac’ op karikaturale wijze duidelijk maakte). Staatsvijand nummer één is de burger, getuige de huidige criminalisering van hele bevolkingen door middel van data profiling, verplichte onderwerping aan surveillance etc. Daarom is de hedendaagse burgeroorlog voor Tiqqun ook altijd een ‘partizanenoorlog’, waarin iedereen een potentiële terrorist is voor het oog van de staat (Tous Coupat, tous coupables, schreef filosoof Alain Brossat in reactie op de verlengde detentie van hoofdverdachte Julien Coupat). |
✎
0
|
|
Vervolgens trekt Tiqqun de gevolgen uit de constatering van de burgeroorlog. Dat wat wij ‘de samenleving’ noemen is volgens Tiqqun en het Comité invisible doortrokken van de burgeroorlog - die haar bovendien mogelijk maakt. De status quo is een staat van oorlog. Niet in de laatste plaats is die oorlog die van de haves tegen de have nots (in Europa hebben die eersten hun vertegenwoordiger gevonden in obscene politieke leiders als Berlusconi en Sarkozy). De vertegenwoordigers van het Empire trekken het sociale weefsel in steeds razender tempo los, door de privatisering van zorg en onderwijs, dreigende precariteit, de gijzeling van landen als Griekenland door het Internationaal Monetair Fonds, de uitbuiting van de angst voor de ander enz. De Parti Imaginaire, die in Tiqqun en L’insurrection qui vient opduikt, ‘katalyseert’ dit proces niet. Ze legt veeleer het cynisme bloot waarmee de machtsuitoefening in het ‘Empire’ gepaard gaat. Werk wordt heilig verklaard in het tijdperk van geprogrammeerde massawerkeloosheid; de ‘samenleving’ en ‘normen en waarden’ worden ons voorgehouden in het tijdperk van het roofkapitalisme – hetzelfde roofkapitalisme dat, als klap op de vuurpijl, gered moet worden met een greep in de publieke middelen. Lokale sociale implosies (de Franse banlieues, de rellen in Griekenland, wanhoopsacties van eenzaten...) prikken dergelijke zinsbegoochelingen genadeloos door: hier zien Tiqqun en het Comité invisible de aanjagende rol van de Parti Imaginaire. Het systeem roept de ‘implosie’ niet over zich af: de implosie is geprogrammeerd. Het systeem bestaat bij de gratie van die implosie – maar in die implosie liggen nog andere mogelijkheden. |
✎
0
|
|
Wat Pols bewering betreft dat ‘de enige mogelijke vorm van verzet [is] de schijn inhouden van het systeem radicaal af te wijzen en absoluut leeg te worden’: Tiqqun en L’insurrection qui vient kiezen voor de desertie uit een systeem dat algehele mobilisering voorstaat (van onze werkkracht, affecten en alledaagse levens). Juist omdat de biomacht zich uitstrekt tot in ieder domein van ons leven, kan de afwijzing ervan slechts totaal zijn. Echter, deze afwijzing houdt niet in ‘absoluut leeg te worden’. Juist in naaktheid en precariteit van ‘de Bloom’ kan de vonk nog oplichten – de vonk van een absoluut herbeginnen. |
✎
0
|
|
3. |
✎
0
|
|
Pols verwijt Tiqqun nogal old skool te zijn in hun keuze van een vijand. Naar Pols’ smaak zijn de auteurs rondom Tiqqun te melancholisch in hun verwijzingen naar de autonomistische beweging uit de jaren ’70. Sterker nog, zij zouden slechts een ‘slap aftreksel’ hiervan presenteren. Waarin dat slappe aftreksel precies gelegen is, wordt al even duidelijk als de ‘ideologie’ van Tiqqun. Bovendien spreekt Pols zichzelf in zijn reactie tegen: hij verwijt Tiqqun de verwijzingen naar de jaren 70, maar hij werpt hun wel een ‘potsierlijk ontkend gebrek aan ideologische originaliteit’ voor de voeten. Welke aantijging is nu de juiste? Tiqqun analyseert (o.a. in ‘Ceci n’est pas un programme’) uitgebreid voorbeelden uit de jaren 70 en vroege jaren 80 (van de Italiaanse Autonomia tot Action Directe, van Pierre Clastres tot Félix Guattari). Dit zijn inderdaad andere voorbeelden dan die van ‘progressief links’ – eerder vormen zij het slechte geweten ervan; voorbeelden die bovendien minder nostalgisch zijn dan het neoleninisme van de door Pols aangehaalde Žižek. Tiqqun probeert in zijn analyses van bijvoorbeeld het Italiaanse radicale denken uit de jaren 70 juist een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen vriend en vijand, tussen vandaag de dag bruikbaar en inzetbaar denken, en het – inderdaad ideologische – wensdenken van bijvoorbeeld Negri en Hardt. Hierin een ‘zacht-postmoderne’ echo lezen, lijkt vooral het resultaat van gehaaste lectuur. Het gaat Tiqqun er allesbehalve om deze voorbeelden te herhalen. |
✎
0
|
|
Gelukkig tovert Pols zelf de aap uit de mouw: ‘een heroverweging van bepaalde ideeën uit de jaren zestig en zeventig lijkt me voor elke vorm van progressief denken in deze tijd noodzakelijk’. Bepaalde vormen, inderdaad. Dit is precies wat Tiqqun en het Comité invisible het ‘progressieve denken’ verwijten: alleen de volstrekt ongevaarlijke en fantasmagorische elementen uit het recente verleden worden ‘heroverwogen’ (de simulacra van de ‘tegentoppen’, het loze verlangen naar een brede volksbeweging van denkers als Žižek of Badiou, de kitsch van het ‘tiers-mondisme’). Tiqqun heeft bovendien geen boodschap aan termen als ‘progressief’; de radicale verwerping van het Empire wordt in Tiqqun slechts overtroffen door de afwijzing van een dergelijk politiek epitheton. Het paternalisme waarmee Pols die term tegenover het ‘naïeve’ radicalisme van Tiqqun stelt, bevestigt vooralsnog het gelijk van deze afwijzing. |
✎
0
|
|
4. |
✎
0
|
|
5. |
✎
0
|
|
6. |
✎
0
|
|
7. |
✎
0
|
|
8. |
✎
0
|
|
9. |
✎
0
|
|
‘Onze wereld wordt niet langer gedeeld door een ideologische muur, maar een sociaal-economische’, schrijft Pols vol overtuiging. Afgezien van Pols’ drammerige onbegrip wat Tiqquns ‘ideologie’ betreft, blijkt die muur bij nadere inspectie toch vooral economisch: zij beschermt onze welvaart. Over koloniale gestes gesproken: eerst je de wanhoop van de Afrikaanse levens achter de muur van Melilla toe-eigenen, en ze vervolgens reduceren tot ‘gelukzoekers’ — Rita Verdonk doet het je niet na. Zoals de muur tussen Palestina en Israel toont, zijn dergelijke grenzen eerder delingen van levens en blokkades tussen mogelijke levensvormen. Die reduceren tot een kwestie van welvaart is een al te bekende populistische denkfiguur. |
✎
0
|
|
10. |
✎
0
|