Daniël Rovers

Published: 12/10/2010

Tags: history essay news

Eind oktober verschijnt nY #7, met veel ruimte voor de kwestie ‘Onderschrift’. Hierin staat de relatie tussen literatuur en fotografie centraal. Uitgangspunt was onderstaande concepttekst uit maart 2010. Volgens samensteller Daniël Rovers begon zijn werk met een flinke scheut wishful thinking, een niet te onderschatten vaardigheid. Dit najaar verschijnt hier ook een nawoord, met daarin, wel zo handig, nog meer voorbeelden van de manier waarop fotografie met literatuur vervlochten wordt.

 

Onderschrift – Daniël Rovers


‘Zal het onderschrift niet tot het meest wezenlijke bestanddeel van de opname gaan behoren? Dat zijn vragen, waarin de afstand van negentig jaar, die ons vandaag scheidt van het tijdperk van de Daguerreotypie, zich van zijn historische spanning ontlaadt. In het schijnsel van deze vonk is het dat de eerste foto’s ons zo mooi en onbenaderbaar uit het duister van grootvaders dagen tegemoet treden.’

De kwestie ‘Onderschrift’ vertrekt van bovenstaand citaat uit Walter Benjamins  opstel ‘Kleine geschiedenis van de fotografie’ (1931). Net als na hem Roland Barthes stelt Benjamin dat de fotografie niet als een kunst moet worden beschouwd, omdat de beschouwer zich in een eerste impuls altijd afvraagt wat de werkelijkheid van het fotografische beeld is. Benjamin schrijft over historische portretfoto’s, maar de volgende uitspraak is van toepassing op alle beelden die samen het verleden uitmaken:

‘Ondanks alle kunstvaardigheid van de fotograaf en de planmatigheid in de houding van het model, voelt de beschouwer een onweerstaanbare drang in zo’n beeld het kleinste vonkje toeval te zoeken – Hier en Nu – waarmee de werkelijkheid het beeld doordrongen heeft en de nietige plek te vinden waar, in het bestaan van die al lang geleden vergane minuut, het toekomstige nog altijd genesteld is dat wij, terugblikkend, kunnen ontdekken.’

De ontdekking van het utopische moment in het fotografische (per definitie historische) beeld – daarover zal het in ‘Onderschrift’ in de eerste plaats gaan. Een taak die niet kan worden overgelaten aan de fotografie zelf, die immers geen woorden tot haar beschikking heeft, noch aan de geschiedkunde, die beelden zo graag naar kennis vertaalt, bijvoorbeeld om te leren hoe iets nooit meer gebeuren mag.

Het ware onderschrift zou als literatuur geschreven kunnen worden. In de ongebonden tekst kunnen we de historische vonken aanwijzen, mogelijk uitleggen. Dan blijft het echter de vraag in welk soort schriftuur dat mogelijk zou zijn. Benjamin zelf heeft hierop indirect een antwoord geformuleerd in zijn Passagen-Werk, een nagelaten koffer met daarin niet alleen notities over de ideeën en leefwereld van de negentiende eeuw, maar ook vele honderden foto’s. Zoals bekend stierf Benjamin voordat hij zijn hoofdwerk de vorm had gegeven die hem in het foto-essay voor ogen stond: in de overgeleverde beelden datgene ontdekken wat in het verleden de verlossing even mogelijk leek te maken. Dat is een blik op de fotografie en, bij uitbreiding, de wereld, die letterlijk uit andere tijden stamt; niet geregeerd door de angst, maar met oog voor de onwaarschijnlijk geachte mogelijkheid.

*

Vilém Flusser

Vilém Flusser wees er in ‘The Future of Writing’ (1987) op dat de mens ooit volledig van het beeld afhankelijk is geweest. Pas toen het schrift ontstond, kon hij zich van het beeld emanciperen. Hierdoor werd lineair en rationeel denken mogelijk en kwam het historisch bewustzijn tot stand. De mens kon reflecteren op en afstand nemen tot wat voortaan als ideologie benoembaar werd – de vaste vorm (beeld) van het denken. Deze vaardigheid kwam volgens Flusser echter onder druk te staan in een cultuur die steeds meer functioneerde als een transcoder van tekst naar beeld. Halfweg de jaren tachtig stelde Flusser zich  deze nieuwe cultuur als een gigantische black box voor:

‘Het zal een soort black box zijn waarin teksten ingaan en beelden uitkomen. Alle teksten die in de box verdwijnen (nieuws, theoretisch commentaar, wetenschappelijke producten, poëzie, filosofische beschouwingen) zullen er als beelden uitkomen (films, televisieprogramma’s, foto’s).’

Volgens Flusser stond de schriftuur daarom op een tweesprong. Ofwel kon ze verdwijnen in het beeld en zo volledig programmatuur worden – dat wil zeggen inhoud leveren voor de grote black box van de beeldcultuur, ofwel kon ze een kwalitatieve sprong maken, waarbij het schrift zich opnieuw diepgaand zou inlaten met de teksten die achter de toenemende beeldenvloed verborgen lagen.

Die kwalitatieve sprong – sprak Benjamin niet van een tijgersprong? – wil ‘Onderschrift’ maken. En dat, bij voorkeur, in de vorm van een onderschrift. In de hoop dat er achter de stroom beelden een tekst opdoemt die te denken, misschien zelfs te hopen geeft; al was maar op een verlossing van dat ene beeld: het clichéverleden.