Lucas Hüsgen, Thomas Stangl

Published: 4/12/2012

Tags: essay

Thomas Stangl over literatuur en leven. Oorspronkelijk verschenen in nY #15 (2012). Vertaling: Lucas Hüsgen.

 

I

2002, het jaar vervaagt in een dik notitieboek zonder dateringen dat in juli 2001 werd aangevangen en in juli 2003 volgeschreven was. In het notitieboek staan nauwelijks persoonlijke aantekeningen; behalve een uitbarsting van wanhoop in de zomer van 2002, die ik niet zal citeren (ze vindt in de mutaties van de bankrekening haar weerslag, en is weerslag van de mutaties).

In deze tijd schrijf ik sinds bijna twee jaar aan een dikke roman, een roman over reizen en reizigers – juist terwijl ik zelf niet van mijn plek kom, niet verder dan mijn fiets mij draagt, nauwelijks buiten Wenen, naar de Lobau of naar Klosterneuburg.

Januari, een nieuwe schaalverdeling, een- en twee-euromunten, die mij herinneren aan 100 en 200 peseta, een munt die je in het café op tafel achterlaat, om je drankje te betalen. Een levensstijl waaraan ik mij herinner en die ik mij weer tracht voor te stellen. Een nonchalance die ik in deze maanden bijna volledig kwijtraak. Twee euro worden in de loop van dit jaar een kolossaal bedrag, om dan weer bijna niets te zijn.

03-01. Nieuw positief saldo, € 104,68. 1440,43 schilling.

Huur Althaus GmbH € 366,27

Ziekenfonds, verminderde basisbijdrage te betalen € 65,90

Wien Energie verbruiksprijs basisprijs toeslag duurzame energie omzetbelasting stranded costs te betalen € 126,00

United Telekom Austria basistarief gesprekskosten € 30,84

Internet, UTA-incasso detailfactuur (ik herinner me het geluid van het inbellende modem, meestal drie keer per dag, om twaalf uur, mailbox, Perlentaucher, na 6 uur ’s avonds (dan is het goedkoper), nog eens na middernacht; steeds met een oog op de klok) € 40,07

Abonnement op Der Standard, maandelijks € 22,50

Studentenabonnement op Falter, vervaldatum eind februari

Tot dan moet ik toekomen met het geld dat ik voor Kerstmis en verjaardag cadeau kreeg.

31-01. Inzendtermijn voor de aanvraag van een staatsstipendium. De twintig eerste, honderd keer herschreven pagina’s van de dikke roman, waarvan ik nog niet weet dat hij Der einzige Ort zal heten. Zo vaak herschreven, hoop ik, dat elke afzonderlijke zin, elk woord aan alle kanten doordacht en onaantastbaar is.

20 februari, het departement cultuur van de stad Wenen bedankt u voor uw aanvraag van een schrijversstipendium van de stad Wenen en betreurt het tegelijkertijd u te moeten meedelen, dat de jury niet tot een besluit heeft kunnen komen. Blijkbaar heb ik afgelopen november al eens een bijna honderd keer herschreven en, zoals ik toen dacht, aan alle kanten doordachte en onaantastbare versie van de eerste twintig pagina’s van de roman ingediend; blijkbaar was ze niet goed genoeg doordacht, niet onaantastbaar.

01-03. Positief saldo € 42,29

De simpelste tactiek bestaat erin zo min mogelijk te leven, de ruimte wordt allengs krapper en krapper. Ik ga niet meer naar de bioscoop, niet naar concerten, nooit uit eten. Het is geen tactiek, maar een toestand of een proces, dat ik gadesla. Een stilstand of eerder een langzaam in de bodem verzinken, als in een verraderlijke duin.

28-03. Positief saldo € 3,29.

12-04. Negatief saldo € -21,14

Vanaf het voorjaar blijft de bankrekening bijna constant in het rood; vanuit een objectief standpunt bezien bespottelijke bedragen (maar wat staat daar tegenover). Laat op de avond aan de keukentafel bij een fles bier de correctie van de computeruitdraaien van wat ik overdag heb geschreven, ’s ochtends bij de ontbijtkoffie de correctie van de correctie en doorschrijven, het geluk een nieuwe pagina te bereiken, een nieuwe alinea, om twaalf uur of na twaalven het geluid van het modem. Geen nieuwe berichten.

16-04. Negatief saldo € -175,10.

03-05. Negatief saldo € -230,83. Huur € 366,27.

07-05, een brief van de bank: wegens onvoldoende saldo kan de volgende betalingsopdracht niet worden uitgevoerd …

Diverse handeling 14000 onkosten niet-uitvoering € 3,60

29-05. Honorarium ‘Literatur und Kritik’, een van een groter aantal dit jaar: € 73; hoe lang lees ik aan een boek, hoe lang schrijf ik aan een recensie.

Juni, veel dank voor uw aanvraag van een staatsstipendium, helaas heeft de jury u niet. Leegte, paniek, aanvraag van een werkbeurs, dat lukt in elk geval altijd en gaat relatief snel: 900 euro in juli of augustus of eerder september.

Enkele andere vage ideeën om aan geld te komen blijven in het beginstadium steken; ik lees personeelsadvertenties (maar wat kan ik eigenlijk nog; en wat zou er van de roman terechtkomen als ik hem nu, nu ik zo helemaal opga in het schrijven, links laat liggen of ook maar in hoge mate links laat liggen? Lijkt hij mij niet juist waardevoller en houdbaarder, kortom belangrijker dan ikzelf?)

Het concreetst van deze ideeën wordt nog een poging om een modelspoorbaan uit 1969, ongebruikt, te verkopen; had eBay toen al bestaan (of had ik het toen al gekend), was het misschien gelukt.

20-08. Negatief saldo € -543,40.

Een aantekening van deze zomer: ‘Ik was slechts een slaper, en de poging om al schrijvend dichter bij deze slaper te komen; en het mislukken van deze poging; en het wegstoppen van al dat (slaap, schrijven, mislukken) in het leven; en de onhandigheid van dit willen wegstoppen.’

Op parkbanken en op mijn bed gelegen lees ik Op zoek naar de verloren tijd, eigenlijk een herlezen (maar het is als een nieuw lezen), wat een geschenk om maandenlang een ontzettend rijke andere wereld ter beschikking te hebben; en geen nieuwe boeken nodig te hebben, die ik niet wil moeten kopen. Intussen lees of leen ik in de bibliotheken boeken over reizen, exotisme, het vreemde en het eigene, en vul het notitieboek met uittreksels.

In deze zomerweken schrijf ik aan een van de voor mij op voorhand belangrijkste en mij op voorhand ook moeilijkst lijkende passages van mijn roman, namelijk die waarin René Caillié, de reiziger van de 19de eeuw, alleen en naar het zich laat aanzien stervend in een dorp met de naam Tiémé is gestrand. Lang knutsel ik aan die passage, elke regel moet onaantastbaar zijn en lijkt me toch verkeerd. Terwijl ik nog altijd nieuwe fouten ontdek en bijna alweer bezig ben om de tekst, zoals ik zo vaak heb gedaan, te forceren en daardoor te ruïneren, stuur ik de passage en nog een paar andere pagina’s van de roman, in de wetenschap dat er iets moet gebeuren, maar met heel onduidelijke verwachtingen en bijna alleen omdat er geen ander adres in me opkomt, naar Graz, naar de redacteur die twee jaar geleden teksten van mij aan manuskripte heeft doorgespeeld. Geachte dr. Götz. Ik weet niet meer of het antwoord na een paar dagen of na een paar weken kwam, laten we zeggen, na een week, per e-mail, een e-mail die ik ben kwijtgeraakt en die een doorslaggevend keerpunt voor mij is geworden. Plotseling heb ik met enthousiasme van doen; dankzij de waanzinnige, ijlende, aan scheurbuik lijdende reiziger uit een andere eeuw.

Doorgaan, laat op de avond aan de keukentafel bij een fles bier correctie van de computeruitdraaien van wat ik overdag heb geschreven, ’s ochtends bij de ontbijtkoffie de correctie van de correctie en doorschrijven, het – hernieuwde – geluk een nieuwe pagina te bereiken, een nieuwe alinea.

09-10. Negatief saldo € -530,49. Dankzij pijnlijk hardnekkig navragen een radiobijdrage bij de ORF, angstig voor de radio zitten op een maandagavond. Honorarium € 402,20.

Eén film tijdens de Viennale, misschien wel de enige bioscoopfilm van dit jaar, Out One van Jacques Rivette: de zoveelste opvoering van een parallel, eindeloos, tussen betekenisloosheid en betekenis verschietend leven.

E-mails uit Graz. Rainer Götz: waar leeft u eigenlijk van? Antwoord, dat is een goede vraag. Activiteiten in Graz, gemeenteraadsbesluit van 15-10,

04-11, Stadthauptkasse Graz OG literaire aanmoedigingsprijs manuskripte 2002. Overgemaakt € 2200.

Positief saldo.

9 december, de wethouder van cultuur en wetenschap te Wenen, Het doet mij genoegen u te kunnen meedelen dat uw aanvraag door een onafhankelijke jury ter verlening van een aanmoedigingsprijs van de stad Wenen voor het jaar 2002 in de sectie literatuur werd toegekend.

13 december. Bundeskanzleramt Oostenrijk, staatssecretaris voor kunst en media, Het doet mij genoegen u te kunnen meedelen dat aan u voor uw literaire werk een werkbeurs 2002 werd toegekend. Het bedrag ter hoogte van € 3700 zal binnen afzienbare tijd op uw rekeningnummer …

Ik beschrijf in deze weken hoe majoor Alexander Gordon Laing, met wie ik sinds meer dan twee jaar leef, het hoofd wordt afgehakt, hoe zijn jonge weduwe aan tuberculose sterft, zoek mij wroetend een weg door de beschrijving, vertel hoe René Caillié, met wie ik sinds meer dan twee jaar leef, zijn reizen, zijn roem en zichzelf overleeft, voor enkele, half gedroomde, in enkele zinnen samen te vatten jaren, ernstig ziek.

Een zin uit het notitieboek: ‘Men moet sterven met zijn personages en daarbij weten dat men overleeft en zich voor het overleven: zijn onwaarachtigheid: haten.’


II

Toen ik mijn eerste roman schreef, een dik boek over ontdekkingsreizigers en hun illusies, had ik nauwelijks geld, ik zag mijn spaargeld tanen, terwijl de roman groeide. Niemand wist waar ik mee bezig was: van tijd tot tijd verzond ik vanuit mijn anonimiteit beursaanvragen, overwegend zonder succes, publiceerde hier en daar kortere teksten. Ik wanhoopte langzaam over de mogelijkheid om aan geld te komen: elke volgende huurbetaling leek mij een bedreiging, ik probeerde bijna alle niet strikt noodzakelijke uitgaven te vermijden, om het onontkoombare punt waarop al het geld op was zo ver mogelijk voor mij uit te schuiven (gelukkig genoeg lag dat punt uiteindelijk, in de zomer van 2002, heel dicht bij het keerpunt). Ik zag hoe mijn bewegingsruimte geleidelijk aan krapper werd; hoe ik steeds minder leefde, ik ging niet meer naar de bioscoop of naar concerten, kocht geen nieuwe boeken of cd’s. Maar wat wil dit ‘weinig leven’ zeggen: vanuit welke verwachting gaf ik mij eraan over, bij het navolgen van welke noodzakelijkheid (want het kwam op mij niet als een onthouding over: ik wilde mij van niets onthouden; het minst evenwel van het onzinnige schrijven aan deze dikke roman, die alle andere bestaansmogelijkheden wegdrong).

Zeker gaat in dat wat als onthouding of mislukking overkomt, een geheime speculatie op een ander leven schuil dat ik al schrijvend zou verdienen of dat zich door mijn schrijven zou vormen; een mogelijk succes in de toekomst is slechts het banaalste aspect van deze speculatie. Interessanter aan deze metamorfose is dat ze al voortdurend slaagt; in het diepst van de onthouding of het mislukken of als keerzijde daarvan.

In een krap bemeten ruimte leid ik kleine parallelle levens: dag na dag langzame reisbewegingen door Afrika, dag na dag een verregaand in mijn kleine woning ingesloten leven en verder schrijven. Het boek, dat er nu is, door andere mensen gekocht en gelezen kan worden, bevat voor mij zoiets als een lichamelijke herinnering waarin deze andere kant besloten ligt: de wegen tussen schrijftafel, bed en keukentafel, honderden over elkaar heen geschoven ochtenden en avonden, de bureaustoel waarop ik zit als ik de toetsen aansla, voor mij het venster, aan de andere kant van de smalle straat overdag de mensen aan hun schrijftafels in het lelijke bureaugebouw, achter hun computers, vanaf zeven uur in de vroegte (ik kan ze beklagen of benijden, deze verzekeringsmensen, deze mensen uit de werkelijke wereld), ’s nachts de donkere vensters of een per ongeluk door een van de Turkse poetsvrouwen aangelaten licht dat in mijn keuken naar binnen schijnt; de blauwe, evenals de schrijftafel door kranten en papieren overdekte keukentafel, intussen bij eBay voor 1 euro geveild, waaraan ik de uitdraaien corrigeer, diep in de nacht bij een fles bier, totdat ideeën mij de kamer in en terug naar de computer drijven. Deze kleine woning is een in toenemende mate bedreigde kleine idylle en een gevangenis; terwijl de ruimte almaar krapper wordt, voel ik in toenemende mate van geluk vervuld het groeien, levend worden van de tekst; hoe het ene zich voegt in het andere, op een manier die ik (ik alleen als ik) niet had kunnen plannen of voorzien.

In de zomer van 2002 wordt de situatie nijpender; mijn bankrekening staat constant in het rood, ik heb nauwelijks inkomsten, de roman is veel te ver gevorderd om hem op te geven, vereist echter nog maanden; maanden waarin ik mijn huur moet betalen, ik weet niet waarvan; ik weet niet hoe dit tekst-ding dat zijn eigen wetten kent, zijn eigen vorm van perfectie zoekt en mij daarvoor nodig heeft, met een wereld waarin je elke maand je huur moet betalen, in overeenstemming te brengen is. Ik herinner mij de avondwandelingen uit die tijd, waarin ik geen geld, geen vooruitzichten en geen mens had om mee te praten. Achteraf lijken ze me op merkwaardige wijze gelukkig. Verdicht, uitgesneden, alsof ik onaantastbaar door een nacht glijd die mij als warm water omhult. Links en rechts van deze kleine luchtbel wacht de dood. Misschien is het ook maar een enkele avondwandeling, langs het Donaukanaal, dan door het Karmeliterviertel terug naar de Lichtenauergasse; een enkele zomernacht die in mijn geheugen is gegrift, alsof ik nu altijd opnieuw het bier van deze nacht drink, de knoflooktoast van deze nacht eet.

Alsof het niet uitmaakt, dit niet-leven, zodra iets daaruit in zijn bijzonderheid tevoorschijn treedt, zoals in de droom, als literatuur: een ‘als het ware’ dat wint aan substantie en lichamelijkheid, een conjunctief die levend lijkt en werkelijker dan de trieste werkelijkheid. Schrijven, literatuur heeft voor mij in tal van opzichten iets met bevrijding te maken; een bevrijding van de waarneming en het denken, een bevrijding ook van zichzelf, van de eigen samenhangen van het leven; en op een bepaalde, bescheiden onbescheiden manier een bevrijding van de economische omstandigheden, voor zover ze daar iets tegenover plaatst; iets tegendraads, een eigen waardensysteem dat gehoorzaamt aan een bizarre economie waarin nauwelijks een verhouding tussen winst en verlies, arbeid en niet-arbeid valt te berekenen.

Adorno schrijft in Minima Moralia over de arbeid van de intellectueel als een arbeid die ‘genot nog onder de meest wanhopige krachtsinspanning’ is. ‘Enkel een listige verbinding van geluk en arbeid,’ zo meent hij, ‘biedt onder de druk van de maatschappij nog ruimte aan werkelijke ervaring.’ Werkelijke ervaring, denk ik, daarom dus, om die reden wordt het geheel aan levensomstandigheden het genotvolle arbeidsproces ingezogen en aan verregaande verandering onderworpen, omdat er niets is wat daar niet toe behoort en niet onzichtbaar ook nog in een abstract reflectieproces kan opgaan; wat niet nieuw ervaren, als esthetisch object genoten, iets levends kan worden: de blauwe keukentafel, het verzekeringsgebouw en zijn dag na dag terugkerende bewoners, het Donaukanaal bij nacht, het bier en de zomerse hitte, het ‘Österreich-Bild’ waarvan het geluid avond na avond zacht door de muur van de buurwoning mijn keuken binnendringt, uit de televisie van een zeer oude vrouw, die later in het bejaardenhuis terechtgekomen en intussen waarschijnlijk gestorven is, aan de andere kant soms de kreten van spelende kinderen uit de aan mijn woon-, slaap- en werkkamer grenzende buurwoning: kinderen die intussen allang volwassen zijn, een kleine woning in de Lichtenauergasse die allang leegstaat, dankzij een boek dat jaren geleden verschenen en alweer half vergeten is, deel van een constellatie van ervaringen waar ik nog altijd op teer. Het economische is enkel de keerzijde van dit arbeids-, reflectie- of inlijvingsproces, dat zich als geluk toont; vaak schijnt het ook als wanhoop door.

Deze bevrijding door het schrijven en de literatuur is (zoals wellicht elke bevrijding) zelf hachelijk, opent de weg naar een nieuwe gevangenschap (bijvoorbeeld doordat ze iemand laat vereenzamen en zich versnipperen, of ook hem in boekenmarkt en literatuurbedrijf binnenleidt). Desalniettemin is ze een bevrijding; elke zin leidt er weer uit, plaatst zich als iets anders tegenover de eenzaamheid, elke zin maakt zich onafhankelijk, biedt zich aan een lezen aan dat zich niet om markt en bedrijf bekommert: een lezen dat voor het boek een nieuw, door de auteur niet voorzienbare en niet stuurbare ervaringsruimte ontsluit.

Deze andere, zo veel rijkere economie waarin arbeid in genot en ervaring zijn overgegaan, heeft enkel het nadeel dat men van haar – alleen in haar – niet kan leven. De economie van het geld en de markt streeft naar de vernietiging van alle andere waardensystemen.

Elk kunstwerk, elk complex taalbouwsel lijkt mij iets levends te zijn: het is obsceen het te reduceren tot een economische waarde, desondanks wordt precies dat gedaan, dit ding wordt (als het niet in de la moet blijven en aan de wereld van de mensen moet worden onttrokken) in een economische kringloop geboren; voor de meesten doet het zich – voor zover het niet succesvol is, massaal wordt gekocht, rendeert, op voorhand wel gecalculeerd naar vooraf berekenbare lezerinteresses is gefabriceerd – als nutteloos luxeproduct voor. Niets is noodzakelijker dan het nutteloze; voor het individu, maar ook voor de openbaarheid.

Literatuur bevindt zich aan de rand van het openbare bewustzijn, en toch behoort het tot haar potentieel om elke zin te ondergraven die in de openbaarheid valt, elke wijze om op te treden in de openbaarheid (ook die van de schrijver die in de openbaarheid is beland), elke gedachte te verzetten, verdichten en verschuiven; een besef wakker te houden dat van zichzelf overtuigde, met hun nut samenvallende talen uitschakelen. Zolang de taal van de literatuur een taal is die nooit helemaal aan zichzelf gelooft, die in de woorden, aan de scharnieren tussen de woorden blijft hangen, die reflectie omzet in zinnelijkheid, schoonheid en schoonheid, zinnelijkheid niet ongebroken laat, ze met reflectie doorspekt; die tegelijkertijd verzet (in een heel onheroïsche zin) en geheugen is; overvloed aan zin en gebrek aan zin, mislukken.

Bij het schrijven van mijn eerste roman, bij het schrijven van het mislukte boek daarvoor en van alle andere mislukte teksten daarvoor, heb ik literatuur als toevluchtsoord misbruikt, mij met literatuur (en al was het maar een onverbiddelijk zelfanalytische literatuur) verdoofd, en bijna was ik aan literatuur, aan zinloos voor zich uit woekerende teksten gestikt. Zonder literatuur, zonder deze noodzakelijke luxe van een tweede leven, deze steeds mogelijke bevrijding, de metamorfose door het denken en de voorstelling, zo beeld ik mij in, was ik evenwel heel zeker gestikt. Even afgezien van het feit dat mijn speculatie uiteindelijk ook in economische zin enigermate is opgegaan, en ik, vanaf dat keerpunt, in mijn bestaan kan voorzien dankzij mislukte ontdekkers die ik, zonder mij van mijn plek te verroeren, al schrijvend achterna ben gereisd.

Had alleen de markt het voor het zeggen, dan was de speculatie overigens nauwelijks opgegaan; en ik spreek niet alleen voor mijzelf, maar ook voor bijna alle boeken die ik graag zou willen lezen en die mijn lezen en leven bepalen, voor alle afwijkende, zonderlinge, onbegrijpelijke, grenzen overschrijdende of heel stille boeken, als ik meen dat wij, bij gebrek aan iets beters, op een soort scheiding der machten, een van de eerbiedwaardigste grondvesten van de afbrokkelende burgerlijke maatschappij, moeten hameren: op instanties en instituties die, met de pretentie of de fictie van objectiviteit, in opdracht van een staat of van sponsoren die zich er inhoudelijk niet mee bemoeien, oordelen vellen, schriftelijke bevestiging geven, openbaarheid creëren, ja, en ook geld verdelen, prijzen of stipendia; zelfs als je weet dat de objectiviteit altijd een fictie zal blijven, zoals zij bijvoorbeeld ook in het recht altijd een fictie zal blijven, is deze fictie, deze andere instantie en andere openbaarheid onontbeerlijk.

Het is niet kwantitatief meetbaar, hangt niet af van het aantal kopers en lezers, wat een boek in de wereld teweegbrengt; of en hoe het, door een soort wonder, voor schrijvers, lezers een werkelijke ervaring kan worden, een individueel bestaan op zijn grondvesten kan laten daveren, mogelijkerwijs een leven redden: dit wonder – het buiten de kringloop vallen, het geluk van een bijzonder ritme waarin je met de ander, niet met een voorwerp communiceert – is waardeloos, omdat het niet alleen geen maat, maar ook geen specifieke inhoud heeft (wat voor een leven welbeschouwd; waartoe het redden); op dit wonder, dit waardeloze komt het aan.

 

Deze tekst stamt uit Reisen und Gespenster, Literaturverlag Droschl, Graz 2012.