redactie nY-print

Published: 15/01/2010

Tags: intro

Een literair tijdschrift dat zich niet wenst op te sluiten in het strikt literaire en geen reservaat voor een enkele soort poëzie en essay wil zijn maar dat de transformerende, kritische functie van literatuur blijft verdedigen – nY! –, ziet zich voor keuzes staan, keuzes omtrent het medium en omtrent de status van literatuur. Het voornemen luidt: literatuur te brengen die zich niet vermeit ende verblijt in haar vanzelfsprekende waarde maar die zich afstelt op haar maatschappelijke context, die niet enkel afwacht maar zelf de wereld leest en zich mengt in lopende kwesties. Een literatuur dus die de wereld afluistert en zich op haar eigen voorwaarden met onwelgevallige stemmen onderhoudt, deze opneemt om van repliek te dienen.

Er is een goed gehoororgaan – hamer en aambeeld – nodig om schrijvend het verzandende geredekavel en ge-oreer om te vormen tot een eigen, meerstemmig geluid. Het fenomeen tijdschrift geeft teksten een eerste context en is zo méér dan een machine voor voorpublicatie. Die ruimte die het toelegt op de afzonderlijke teksten kan een extra creëren, vormgeving en beeldmateriaal (dit keer van Robin Vanbesien) spelen daarbij een ondersteunende én contrasterende rol. Het literaire tijdschrift protesteert tegen de situatie waarin ieder voor zich publiceert.

Of zo’n onderneming vandaag nog mogelijk is, daarover heerst te onzent geen scepsis, wat evenwel niet betekent dat het medium op zijn krent kan rusten. Naar de grondgedachte achter de fusie krijgt het project waarvan dit de print is vanaf december ook vorm op het web, de gelijkwaardige pendant in het door literair tijdschriften nog onvoldoende benutte medium. Vooralsnog worden de traditionele functies als archivering en aankondiging met name aangevuld met Untimely meditations, de web-tak waarin korte essayistische reflecties ontstaan bij lectuur, beelden of andere aanleidingen. Zoals de naam van de rubriek het zegt zijn deze reflecties niet noodzakelijk gelinkt met het ‘actuele debat’. Centraal staan de kwaliteit van de reflectie en de specifieke invalshoeken en fascinaties van de auteurs. nY-web wenst zich zo als een stemmencollectief te mengen in de openbare ruimte.

Ook om de verbinding met de website te vieren benadert dit laatste nummer van de eerste jaargang velerlei oude en nieuwe media.

In een aantal korte stukken inventariseert De kwestie de manier waarop de moderne variant van de priester-dichter zich (in meer of mindere mate) splitst in een schrijver en een opiniemaker. De vraag is waarom literaire auteurs deze sprong uit het literaire domein maken in krant en weblog, en uit welke – blijkbaar veelgehuldigde – poëtica dit voortkomt. ‘Schrijvers moeten rondkomen, en maken dus columns, ik zie het probleem niet’, was wel de meest kernachtige reactie van een van de genodigde contribuanten. Maar eerder dan het columneren te beschouwen als zakcent of als reclame voor het literaire werk, vermoedt nY daarin de tanende hoop op de specifieke vermogens van de literaire tekst en een cynische inschatting van het lezersvermogen om literatuur maatschappelijk te begrijpen. 

Wordt de afstand tussen literatuur en haar sociale context door deze tweekoppige auteurs overbrugd? Brengen ze hun opinies niet in kritische mindering van hun ficties? En laadt een niet-opiniërende auteur de verdenking op zich een autist te zijn? Ís er wel een zaak waarmee auteurs zich engageren in hun opiniërende missiewerk, of komt het aan op een procedurele betrokkenheid, een engagement pour l’engagement? Een aantal puncties in de poel van literatoren-opiniemakers presenteert het begin van een antwoord.

Dietlinde Willockx rakelt de polemische praktijk van de Vlaamse vader der priester-dichters op en geeft de kwestie op die manier een historische dimensie. Vergeleken bij Gezelles literair-opiniërende staaltjes lijkt de huidige schrijver-columnist uit te gaan van een ‘registeranalfabetisme’, ‘waardoor mensen haast enkel nog de ironische en polemische toon beheersen’. De verhouding tussen literair en opiniërend proza wordt in de bijdragen over Tom Lanoye, David Van Reybrouck en Erwin Mortier per casus onderzocht. Patrick Bassant noemt Lanoye ‘een ouwe januskop’, Tom Van Imschoot benadrukt integendeel de samenhang tussen literair en ander proza, Matthijs de Ridder ziet Mortier narrig keutelen in de hand die hem voedt. De bijdragen van Gijsbert Pols en Cem Sengül wijken uit naar Nederland en Duitsland, en hun beider bijdrages, over respectievelijk Naema Tahir en Rafael Seligmann, onderzoeken afvallige auteurs die zich van buiten de culturele mainstream een weg naar het podium baanden. Pols en Sengül laten zien dat dit podium ook wordt beveiligd door normalisering, vaak van conservatieve en consensusgerichte aard. Werkelijk afwijkende stemmen lijken minder welkom of worden afgezwakt.

In de regel reageren columnisten en opiniemakers vooral op elkaar, waardoor er in het debat een nieuwe hermetisme dreigt te ontstaan, het hermetisme van de leidende stemmen. Om dit domein het eigen terrein binnen te trekken breken we de bladspiegel doormidden en creëren de reflexieve kolom, columns over columnisten, opinie over ‘opinisten’. Mede omdat de auteurs gevraagd werd het kort te houden, zag Marc Kregting zich aanvankelijk genoodzaakt om te bedanken. Op zijn blog De honingpot startte hij echter een reeks onder de titel ‘Spreektijd’ – met reactiemogelijkheden. De serie toont de contouren van zijn boekproject De ware marsrichting, dat de voorwaarden voor het grijpen van de microfoon – hij munt de term ‘opinisme’ – tot onderwerp maakt. Op de dag van de deadline was zijn reeks voltooid, waarna nY hem overhaalde deze alsnog te publiceren, als sluitstuk van De kwestie Opinicus / Autisticus. Dat het transport van scherm naar papier naast winst ook verlies betekent, verwoordt Kregting in een voor dit papier geschreven nabeschouwing op zijn onderneming. Ieder medium heeft zijn januskop, is hybride als de heraldische opinicus.

Het door het nummer verspreide proza staat niet ver af van de vraag naar het recht om spreektijd. Pol Hoste dient in een fragment uit zijn boek over Boon enkele goede buren van repliek inzake zijn recht tot spreken. Pieter De Buysser stelt de mogelijkheden voor een hedendaags optimisme in een fragment uit zijn Anthology of Optimism. En Daniël Rovers’ Olivier verwerkt zijn ldvd op maatschappijverkennende wijze: met een pooltocht naar de wereld van een Zweedse interieurgigant.

In Untagged trekt de jonge essayist Christophe Van Gerrewey van leer tegen de huidige culturele imperatief: gij zult u focussen. Patrick Peeters memoreert het werk van een dichteres die haar leven weinig luidruchtig tot de literatuur richtte: wij gedenken Christine D’haen. Verder in dit nummer debuteert met strenge montage en mondaine montuur de prille Beda Dhondt: ‘IN TIJDEN VAN VERRAAD ZIJN DE LANDSCHAPPEN MOOI’.

In De zift dit keer twee stukken over het medium film. De Japanse regisseur Wakamatsu Kōji, bekend van zijn avant-gardistische softporno, hypothekeerde zijn huis om een politiek bevlogen film te maken over het Verenigde Rode Leger, dat aan het begin van de jaren zeventig verantwoordelijk was voor een van de meest extreme gewelduitspattingen van het naoorlogse Japan. Own Death, de eerste langspeelfilm van de Hongaar Péter Forgács, is een radicaal-poëtische bewerking van de gelijknamige novelle van zijn landgenoot Péter Nádas. Terwijl Ernst van Alphen een literair analyseapparaat aanspreekt om Forgács’ filmkunst consequent te vergelijken met de schriftuur van Nádas, concentreert Michael Schiltz zich op de politieke context en de receptie van Wakamatsu’s controversiële film.

Goed gevuld nevenschikt De omzet selecties uit twee poëzieprojecten van Ted Greenwald en Dieter M. Gräf. Lucas Hüsgen vertaalde een Duitse gruwelmythe van Gräf in stuwende regels – ‘We moeten / het gazon vernielen!’. Samuel Vriezen zette Greenwalds spreektalige Amerikaans om in klinkend Nederlands en schreef er een heldere inleiding bij, omdat poëzie niet altijd geheel voor zichzelf spreekt.

Voor haar laatste bijdrage als De gast vond Elisabeth Tonnard opnieuw een tekst, en liep op haar vingers door een novelle van Robert Walser. In de komende jaargang wordt haar plaats ingenomen door een volgende gast(e).

En er is nYs uit eigen huis, want ook de redactie kent een personele wissel. Piet Joostens ruilt het CC in voor het WWW (een gelegenheid die enkele getrouwen noopte tot een petit hommage à pYt), Sarah Posman schuift van het BCC door naar het CC. 

Gegroet!