nY
voorheen yang & freespace Nieuwzuid
|
|
✎
0
|
|
Inge Arteel over Opgefokte taal. Een politiek van de performatief van Judith Butler - foto (vert. Niels Helsloot, Parrèsia, Amsterdam, 2007). Review essay uit Yang (2008.1) |
✎
0
|
|
De analyse van wat vanuit een westers perspectief al dan niet als een ‘mensenleven’ wordt beschouwd, staat centraal in Butlers recente publicaties Precarious Life en Undoing Gender. In Precarious Life. The Powers of Mourning and Violence buigt ze zich over de vraag welke levens als ‘grievable lives’ gelden: om welke levens mogen we treuren of rouwen? Alleen ‘grievable lives’ gelden als ‘mensenlevens’. Alleen de doden om wie we publiekelijk mogen rouwen en die we mogen begraven, aldus Butler, gelden als ‘mensen’. Ze stoffeert haar betoog met voorbeelden uit de taboebeladen omgang met aids in de Verenigde Staten van de jaren tachtig, maar ook met analyses van het officiële Amerikaanse discours rond 9/11 en van de beschuldiging van antisemitisme aan het adres van (joodse) critici van Israëls politiek ten aanzien van de Palestijnen. |
✎
0
|
|
Nog in dit boek stelt ze, geïnspireerd door het werk van Emmanuel Lévinas, het begrip ‘kwetsbaarheid’ voor als basis voor een geweldloze ethiek. Butler pleit voor een bewustzijn van de ‘precariteit’ van het leven, van hoe gemakkelijk mensenlevens kapot worden gemaakt. Een dergelijk bewustzijn impliceert de erkenning van de eigen kwetsbaarheid én van de kwetsbaarheid van de ander. Alleen wanneer je afstand doet van je eigen zogenaamde autonomie en erkent dat je fundamenteel afhankelijk bent van de ander, kan je proberen te voorkomen dat gevoelens als angst, gekwetsheid en woede zich uiten in agressie, kan je de cirkel van gewelddadige ontmenselijking doorbreken. Butlers pleidooi richt zich in de eerste plaats tot hegemoniale subjecten en is allerminst een verheerlijking van de kwetsbaarheid van onderdrukte groepen of individuen. Verzet kan er net in bestaan het hegemoniale subject op zijn kwetsbaarheid te wijzen. |
✎
0
|
|
Maar dat stollingsproces, zo beklemtoont Butler, slaagt lang niet altijd, slaagt misschien zelfs nooit volledig. De performatieve dynamiek is er immers een van herhaling, en herhaling – hier volgt Butler Derrida – brengt altijd een verschuiving met zich mee: de herhaling is nooit identiek aan wat ze herhaalt. Precies in die verschuivingen, in dat falen van de herhaling om te stollen, ligt de mogelijkheid voor een subversie of afwijking van de gendernorm: |
✎
0
|
|
The possibilities of gender transformation are to be found precisely in the arbitrary (d.w.z niet-natuurlijke) relation between such acts, in the possibility of the failure to repeat, a de-formity, or a parodic repetition (141). |
✎
0
|
|
Die denaturaliserende kracht komt misschien nog sterker tot uiting in de opvatting van de taalhandeling als citaat, als citerende handeling. Ook dit begrip kwam al aan bod in Gender Trouble en vooral in Bodies that Matter. Butler illustreert de praktijk van het citeren aan de hand van het fenomeen van de drag: door een overdreven herhalen van de gendernorm legt de drag er het geconstrueerde, ingeoefende karakter van bloot. De drag citeert én decontextualiseert de gendernorm. Zo ligt ook in het citeren van taal een subversief potentieel: het citaat herhaalt het gesprokene én plaatst het in een andere, onvoorziene context. Het citaat ont-eigent en her-eigent (reappropriation, misappropriation) de (normerende) taaluiting. |
✎
0
|
|
Het bekendste voorbeeld van een dergelijke onteigenende her-eigening is wellicht het actuele gebruik van de term queer. Als scheldwoord voor homo duidt queer een seksuele identiteit aan die buiten de seksuele orde valt. De queer movement eigent zich het scheldwoord als geuzennaam toe en geeft er een positieve, geëngageerde invulling aan. Een dergelijke positieve toe-eigening ondergraaft de kwetsende kracht van het gebruik van het scheldwoord. Het voordeel van een dergelijke herijking is dat de geschiedenis van de term – anders dan bij een nieuw uitgevonden, ‘zuivere’ benaming – niet wordt uitgewist; de gebruiker van de term queer blijft zo alert voor de stigmatisering en uitsluiting waartoe talige categorieën en benamingen kunnen leiden. |
✎
0
|
|
Queer als scheldwoord kan worden gerekend tot het fenomeen van de hate speech: kwetsende, beledigende of bedreigende taalhandelingen die vooral in de Verenigde Staten steeds vaker tot een rechtszaak en al dan niet tot gerechtelijke vervolging of censuur leiden. Het is op die hate speech dat Butler in Opgefokte taal haar taalfilosofie toepast. |
✎
0
|
|
Zoals ze zelf aangeeft, ligt aan Opgefokte taal zowel een retorisch als een politiek opzet ten grondslag. Butler wil een deconstructieve lectuur van de retoriek van hate speech presenteren met de bedoeling een theorie van linguistic agency, van talig handelingsvermogen, te formuleren. Haar theorie wil instrumenten aanreiken voor een talking back, een talig counteren van hate speech, waarmee Butler een politiek alternatief hoopt te formuleren voor de toename aan juridische en censurerende maatregelen. Want die ontwikkeling baart haar zorgen. Niet alleen wordt de hate speech in rechtszaken herhaald en dus telkens weer geproduceerd, rechtspraak is – als machtsapparaat – op zichzelf al een uiting van talig geweld. Juridische maatregelen leiden bovendien vaak tot censuur die niet zelden door een conservatieve en heteroseksuele ethische agenda is ingegeven – denken we maar aan de kritiek op (homoseksuele) erotische kunst. |
✎
0
|
|
De falende performativiteit vormt de basis voor Butlers talige antwoord op hate speech. Als inherent kenmerk van de taalhandeling heeft dat falen consequenties in twee richtingen. Het zorgt ervoor dat de sprekende instantie geen meester is van het gesprokene, dat het dus niet om een soevereine taalhandeling gaat. Daaruit voortvloeiend hoeft ook de ontvanger, de geadresseerde van de taalhandeling, zich niet per se door de taalhandeling aangesproken te voelen. Butler plaatst met andere woorden vraagtekens bij de causaliteitsverbinding tussen de dreigende of kwetsende taalhandeling en het beoogde effect (de kwetsuur, de angst). Dit betekent niet dat Butler de kwetsende kracht van hate speech ontkent; ze betwijfelt alleen de opvatting dat hate speech altijd, in alle omstandigheden en voor iedereen, even kwetsend is. Die twijfel is opnieuw niet bedoeld als (gedeeltelijke) vrijspraak voor de ‘dader’ van hate speech. In de eerste plaats wil Butler de evidentie doorbreken die de geadresseerde in een slachtofferpositie duwt, verlamt en monddood maakt. Uit die positie kan de geadresseerde immers alleen door de ingreep van een soeverein machtsapparaat – de overheid, het gerecht – worden bevrijd, wat het slachtoffer de mogelijkheid tot agency en verantwoordelijkheid ontneemt: ‘Zij die stellen dat hate speech een “klasse van slachtoffers” voortbrengt, ontkennen de mogelijkheid van kritisch handelen en neigen ertoe een ingrijpen te bepleiten waartoe alleen de overheid het benodigde handelingsvermogen zou bezitten’ (62). |
✎
0
|
|
Butler pleit daarentegen voor insurrectionary speech, een subversieve en rebellerende taalhandeling als antwoord op hate speech. Een mogelijkheid ligt in de herijking van scheldwoorden, zoals in het al aangehaalde voorbeeld van het gebruik van queer. Een andere mogelijkheid biedt de contestatie van de door het scheldwoord opgelegde identiteit. Subversief is ook het aanvechten van de macht, de autoriteit van de ‘dader’, bijvoorbeeld bij hate speech uit de mond van door de wet gelegitimeerde instanties of personen. |
✎
0
|
|
Dat elke mens bovendien pas een subject wordt bij de gratie van de aanspreking door anderen, dat bijgevolg iedereen, ook de ‘dader’, geen heer en meester is over maar integendeel onderworpen is aan de taal – ‘linguistically vulnerable’ –, zou, zo hoopt Butler, dat verantwoordelijkheidsbesef moeten versterken. |
✎
0
|
|
In Opgefokte taal haalt Butler haar voorbeelden uitsluitend uit Amerika. Het zijn voornamelijk voorbeelden van juridische behandelingen van hate speech – een groot deel van het boek leest als een deconstructie van het Amerikaanse juridische discours van de jaren negentig en bewijst Butlers schatplichtigheid aan Foucault. Dit brengt met zich mee dat ze in haar cases – anders dan in haar taalfilosofische beschouwingen – meer aandacht besteedt aan de producent van hate speech dan aan de ontvanger. Voorbeelden van een efficiënt talking back door de geviseerden blijven spijtig genoeg uit. |
✎
0
|
|
Butler wijst ook op de inconsequentie waarmee in Amerika de wet op hate speech wordt toegepast. De wet beschouwt taalhandelingen vooral als kwetsend wanneer ze een expliciet seksueel karakter hebben; het domein van wat als ‘obsceen’ wordt veroordeeld, wordt steeds uitgebreider en omvat ook visuele representaties van (voornamelijk homo-) seksualiteit. Racistische hate speech daarentegen wordt vaker als ‘vrije meningsuiting’ afgedaan. Zo werd de witte jongeman die een brandend kruis opstelde voor het huis van een zwarte familie niet schuldig bevonden aan ‘fighting words’ omdat het niet ging om woorden maar om de expressie van een ‘standpunt’. Aangezien het een ‘minderheidsstandpunt’ betrof, kon het zelfs aanspraak maken op juridische protectie. Bovendien vond de rechtbank dat het zwart-zijn van de familie er niet toe deed en werd geen rekening gehouden met het gebruik van kruisverbranding bij de Ku Klux Klan. |
✎
0
|
|
In een hoofdstuk over ‘besmettelijke woorden’ analyseert Butler de wetgeving rond coming out in het Amerikaanse leger. Aanvankelijk was het voor homo’s en lesbiennes in het leger verboden zich te outen, een verbod dat niet alleen getuigt van een extreem geloof in de succesvolle performatieve kracht van de taal maar ook van een doorgedreven seksualisering van de taal: zich outen als homo staat hier gelijk aan het stellen van een homoseksuele daad. (Butler vraagt zich af of dat verbod er had kunnen komen zonder de oudere wet op (hetero-)seksuele pesterijen, die seksueel getinte uitspraken, bijvoorbeeld op de werkvloer, als vormen van aanranding strafbaar stelt. Het is een van de voorbeelden waarmee Butler wil aantonen dat strafwetten, ook en vooral diegenen die om emancipatorische of antidiscriminatoire redenen welkom zijn, ongewenste effecten kunnen hebben. Het is ook een mooi voorbeeld van Butlers tegendraadsheid, waarmee ze ook bij progressieve verworvenheden telkens weer vraagtekens plaatst.) |
✎
0
|
|
De nieuwe versie van de wet lijkt soepeler maar verstevigt in feite het geloof in de performatieve kracht – en behoudt de visie op homoseksualiteit als een besmettelijke ziekte: men mag zich nu wel outen maar moet eraan toevoegen dat men geen intentie of ‘neiging’ heeft om naar zijn/haar verlangen te handelen. Maar een neiging kan zich, in het oog van een paranoïde ‘beholder’, natuurlijk zo goed als in elke lichaamstaal uitdrukken. |
✎
0
|
|
Deze wet is een perfect voorbeeld van wat Butler de door de staat geproduceerde hate speech noemt: ‘De voorschriften roepen het spook op van een performatieve homoseksuele uiting, een uiting die de daad verricht, en die er vervolgens door gecensureerd moet worden. Hiermee ontstaat een circulariteit van verwrongen voorstelling en censuur die ik als paranoïde zal kenschetsen’ (142-143). Butler laat op deze vaststelling een gedetailleerde lectuur van Freuds Totem en taboe volgen, dat de onderdrukking van mannelijke homoseksualiteit als fundament van ‘echte’ mannelijkheid analyseert. |
✎
0
|
|
In navolging van Hannah Arendt plaatst Butler vraagtekens bij de constructie natiestaat, omdat deze zich legitimeert op basis van nationale homogeniteit, wat noodgedwongen leidt tot de creatie en zelfs verdrijving van nationale minderheden. Dit brengt Butler bij de problematiek van de ‘statenloosheid’, ‘the massive problem of statelessness and the demand to find postnational forms of political opposition’ (41). Ook hierover had Hannah Arendt uitgesproken ideeën. Zo keurde zij de stichting van de staat Israël af omdat die op nationale en religieuze identiteit was gebaseerd en zo ‘merely produced a new category of refugees, the Arabs, thereby increasing the number of the stateless and rightless by another 700.000 to 800.000 people’ (Arendt in The Origins of Totalitarianism). De natiestaat impliceert met andere woorden statenloosheid. |
✎
0
|
|
it’s about the constitution of a ‘we’ that has internally porous borders and increasingly rigid external borders (86). |
✎
0
|
|
Daarentegen pleit Butler voor een onherleidbaar (irreducible) naast elkaar bestaan van verschillende talen, zonder poging om tot een homogeniteit te komen maar met een onderlinge communicatie die is gebaseerd op voortdurende vertaling. Die dynamiek van voortdurende vertaling lijkt Butler naar voren te schuiven als basis voor wat ik in het begin haar ‘universeel onderhandelbare’ ethiek heb genoemd, waarbij ze ‘vertaling’ uitdrukkelijk begrijpt als een proces van wederzijdse verandering. In het geval van de zingende illegale migranten werpt Butler nog een kritische blik op het feit dat zij, weliswaar in het Spaans, het Amerikaanse volkslied zongen. Impliceert dit niet onvermijdelijk een nationalistisch verlangen, het verlangen op te gaan in de bestaande natie, en is het daarom minder subversief dan het aanvankelijk lijkt? |
✎
0
|
|
Bovendien is samenzang altijd al een belangrijk instrument in handen van politieke propaganda geweest. Maar, zo stelt Butler, verwachten dat politieke oppositie en rebellie gevoerd kunnen worden met ‘zuivere’ wapens, wapens zonder inherente contradicties, is een illusie. Ook hier verwoordt ze haar ongeloof in nieuwe, zuivere concepten en pleit ze voor een her-eigening van bestaande expressievormen. Het volkslied werd in dit geval gezongen door mensen die daar het recht niet toe hadden maar dat recht wel opeisten; bovendien deden ze dat op straat, waarmee ze, als illegalen, ook de vrijheid van publieke samenkomst opeisten. Subversief genoeg, met andere woorden, om van deze demonstratie een belangrijke – en moedige – stap in het openbreken van de natiestaat te maken: |
✎
0
|
|
There can be no radical politics of change without performative contradiction. To exercise a freedom and to assert an equality precisely in relation to an authority that would preclude both is to show how freedom and equality can and must move beyond their positive articulations. The contradiction must be relied upon, exposed, and worked on to move toward something new. (…) [Those who sing] alter not just the language of the nation but its public space as well. It would finally be an offense to regard it in any other way’ (66-67). |
✎
0
|
|
Evenzeer wijst ze erop dat haar analyse niet alle vragen sluitend kan beantwoorden: ‘Kunnen we taal die als kwetsend gedrag veroordeeld moet worden, wel onderscheiden van taal die best tegen heilige huisjes zal [sic] schoppen maar daarmee nog geen misdaad is?’ (8) Maar precies de kritische blik waarmee ze haar eigen denkproces telkens weer onder de loep neemt maakt, samen met haar verzet tegen elke vorm van ‘absolutisme’, van haar oeuvre een inspirerend, levendig en werkbaar kritisch instrument. |
✎
0
|
|
Literatuur |
✎
0
|